Bijbel2 Koningen

2 Koningen 2

Lees 2 Koningen 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Elia deelt de Jordaan, vers 1, enz. Hij vergunt Elisa zijn bede onder zekere voorwaarde, en vaart ten hemel in een vurige wagen, 9. Elisa deelt ook de Jordaan, 13. wordt erkend als een profeet door de kinderen van de profeten, 15. dezen zoeken Elia, maar tevergeefs, 16. Elisa maakt de wateren te Jericho gezond, 19. Hij vervloekt enige kinderen die hem spottend nariepen, en zij worden door twee beren verscheurd, 23.

1Het gebeurde nu, als JAHWEH Elia met een onweer ten hemel opnemen zou, dat Elia met Elisa ging van Gilgal.

2En Elia zei tot Elisa: Blijf toch hier, want JAHWEH heeft mij naar Beth-el gezonden. Maar Elisa zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Zo gingen zij af naar Beth-el.

3Toen gingen de zonen van de profeten, die te Beth-el waren, tot Elisa uit, en zeiden tot hem: Weet u, dat JAHWEH vandaag uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zei: Ik weet het ook wel, zwijgt u stil.

4En Elia zei tot hem: Elisa, blijf toch hier, want JAHWEH heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Zo kwamen zij te Jericho.

5Toen traden de zonen van de profeten, die te Jericho waren, naar Elisa toe, en zeiden tot hem: Weet u, dat JAHWEH vandaag uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zei: Ik weet het ook wel, zwijgt u stil.

6En Elia zei tot hem: Blijf toch hier, want JAHWEH heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! En zij beiden gingen heen.

7En vijftig mannen van de zonen van de profeten gingen heen, en stonden tegenover van verre; en die beiden stonden aan de Jordaan.

8Toen nam Elia zijn mantel, en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en daarheen verdeeld; en zij beiden gingen er door op het droge.

9Het gebeurde nu, als zij overgekomen waren, dat Elia zei tot Elisa: Begeer wat ik u doen zal, voordat ik van bij u weggenomen word. En Elisa zei: Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn!

10En hij zei: U hebt een harde zaak begeerd; als u mij zult zien, als ik van bij u weggenomen word, het zal u zo gebeuren; maar zo niet, het zal niet gebeuren.

11En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Zo voer Elia met een onweer ten hemel.

12En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn kleren en scheurde ze in twee stukken.

13Hij hief ook Elia's mantel op, die van hem afgevallen was, en keerde weer, en stond aan de oever van de Jordaan.

14En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zei: Waar is JAHWEH, de God van Elia? Ja, Dezelfde? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en daarheen verdeeld, en Elisa ging er door.

15Als nu de kinderen van de profeten, die tegenover te Jericho waren, hem zagen, zo zeiden zij: De geest van Elia rust op Elisa; en zij kwamen hem tegemoet, en bogen zich voor hem neer ter aarde.

16En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij uw knechten vijftig dappere mannen; laat hen toch heengaan, en uw heer zoeken, of niet misschien de Geest van JAHWEH hem opgenomen, en op één van de bergen, of in één van de dalen hem geworpen heeft. Maar hij zei: Zend niet.

17Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe; en hij zei: Zend. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, maar hem niet vonden.

18Toen kwamen zij weer tot hem, daar hij te Jericho gebleven was; en hij zei tot hen: Heb ik tot u niet gezegd: Ga niet?

19En de mannen van de stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de woning van deze stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is kwaad, en het land onvruchtbaar.

20En hij zei: Breng mij een nieuwe schaal, en legt er zout in. En zij brachten ze tot hem.

21Toen ging hij uit tot de waterwel, en wierp het zout daarin, en zei: Zo zegt JAHWEH: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen dood noch onvruchtbaarheid meer van worden.

22Zo werd dat water gezond, tot op deze dag, naar het woord van Elisa, dat hij gesproken had.

23En hij ging van daar op naar Beth-el. Als hij nu de weg opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad; die bespotten hem, en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op!

24En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in de Naam van JAHWEH. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden daarvan twee en veertig kinderen.

25En hij ging van daar naar de berg Karmel; en van daar keerde hij weer naar Samaria.