2 Koningen 21
Lees 2 Koningen 21 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Manasse is een gruwelijk afgodendienaar, vers 1, enz. Hierom worden zeer zware straffen gedreigd, 10. Manasse vergiet ook veel onschuldig bloed, en sterft, 16. zijn zoon Amon komt in zijn plaats en volgt de voetstappen van zijn vader, 19. hij wordt omgebracht door zijn knechten, 23. zijn zoon Josia wordt koning, 26.
1Manasse was twaalf jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hefzi-bah.
2En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, naar de gruwelijke dingen van de heidenen, die JAHWEH voor het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had.
3Want hij bouwde de hoogten weer op, die Hizkia, zijn vader, vernietigd had; en hij richtte Baäl altaren op, en maakte een bos, zoals Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neer voor het leger van de hemel, en diende ze.
4En hij bouwde altaren in het huis van JAHWEH, waarvan JAHWEH gezegd had: Te Jeruzalem zal Ik Mijn Naam zetten.
5Daartoe bouwde hij altaren voor al het leger van de hemel, in beide de voorhoven van het huis van JAHWEH.
6Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde bezwering en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen van JAHWEH, om Hem tot toorn te verwekken.
7Hij stelde ook een gesneden beeld van het bos, dat hij gemaakt had, in het huis, waarvan JAHWEH gezegd had tot David, en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en in Jeruzalem, die Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn Naam zetten in eeuwigheid.
8En Ik zal niet voortvaren de voet van Israël te bewegen uit dit land, dat Ik hun vaders gegeven heb; alleen, zo zij waarnemen te doen, naar alles, wat Ik hun geboden heb, en naar de hele wet, die Mijn knecht Mozes hun geboden heeft.
9Maar zij hoorden niet; want Manasse deed hen dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die JAHWEH voor het aangezicht van de Israëlieten vernietigd had.
10Toen sprak JAHWEH door de dienst van Zijn knechten, de profeten, zeggende:
11Omdat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelijke dingen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die voor hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn afgoden heeft doen zondigen;
12Daarom, zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Zie, Ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een ieder, die het hoort, beide zijn oren klinken zullen.
13En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, en ook het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, zoals men een schotel uitwist; men wist die uit, en men keert hem om op zijn holligheid.
14En Ik zal het overblijfsel van Mijn erfdeel verlaten, en zal ze in de hand van hun vijanden geven; en zij zullen tot een roof en plundering worden al hun vijanden.
15Daarom, dat zij gedaan hebben dat kwaad was in Mijn ogen, en Mij tot toorn verwekt hebben, van die dag, dat hun vaders van Egypte uitgegaan zijn, ook tot op deze dag toe.
16Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; afgezien van zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen van JAHWEH.
17Het overige van de geschiedenissen van Manasse, en al wat hij gedaan heeft, en zijn zonde, die hij gezondigd heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?
18En Manasse ontsliep met zijn vaders, en werd begraven in de hof van zijn huis, in de hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
19Amon was twee en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Mesullemet, een dochter van Haruz van Jotba.
20En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; zoals zijn vader Manasse gedaan had.
21Want hij wandelde in al de weg, die zijn vader gewandeld had, en hij diende de afgoden, die zijn vader gediend had, en hij boog zich voor die neer.
22Zo verliet hij JAHWEH, de God van zijn vaders, en hij wandelde niet in de weg van JAHWEH.
23En de knechten van Amon smeedden een samenzwering tegen hem, en zij doodden de koning in zijn huis.
24Maar het volk van het land versloeg allen, die tegen de koning Amon een samenzwering gemaakt hadden; en het volk van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.
25Het overige nu van de geschiedenissen van Amon, wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?
26En men begroef hem in zijn graf, in de hof van Uzza; en zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats.