2 Koningen 23
Lees 2 Koningen 23 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Josia laat het wetboek voorlezen en vernieuwt het verbond met de HEERE, vers 1, enz. reinigt de tempel en roeit alle afgoderij uit, 4. breekt het altaar te Bethel en verbrandt daarop mensenbeenderen, 15. hij houdt het Paasfeest, 21. Verhaal van nog andere bewijzen van zijn godsvrucht, 24. hoewel Gods toorn tegen het land niet ophield, 26. hij trekt ten strijde tegen Farao Necho, wordt gewond en sterft, 29. zijn zoon Joahaz wordt koning, 31. die Farao Necho afzet en in zijn plaats Eljakim tot koning maakt, die hij Jojakim noemt, 33. zijn regering, 35.
1Toen zond de koning heen, en tot hem verzamelden al die oudsten van Juda en Jeruzalem.
2En de koning ging op in het huis van JAHWEH, en met hem alle man van Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, en de priesters en de profeten, en al het volk, van de minste tot de meeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek van het verbond, dat in het huis van JAHWEH gevonden was.
3De koning nu stond aan de pilaar, en maakte een verbond voor het aangezicht van JAHWEH, om JAHWEH na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn voorschriften met heel zijn hart en met heel zijn ziel te houden, bevestigende de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven zijn. En het hele volk stond in dit verbond.
4En de koning gebood de hogepriester Hilkia, en de priesters van de tweede ordening, en de dorpelbewaarders, dat zij uit de tempel van JAHWEH alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al het leger van de hemel gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen.
5Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, en ook, die voor Baäl, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al het leger van de hemel rookten.
6Hij bracht ook het beeld van het bos uit het huis van JAHWEH weg, buiten Jeruzalem, tot de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en vergruisde het tot stof; en hij wierp het stof daarvan op de graven van de kinderen van het volk.
7Daartoe brak hij de huizen van de schandjongens af, die aan het huis van JAHWEH waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het beeld van het bos weefden.
8En hij bracht al de priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van Geba af tot Ber-seba toe; en hij brak de hoogten van de poorten af, ook die aan de deur van de poort van Jozua, de overste van de stad, was, die aan iemands linkerhand was, in de stadspoort gaande.
9Maar de priesters van de hoogten offerden niet op het altaar van JAHWEH te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broers.
10Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan.
11En hij schafte de paarden af, die de koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van de ingang van het huis van JAHWEH, tot de kamer van Nathan-melech, de hoveling, die in Parvarim was; en de wagens van de zon verbrandde hij met vuur.
12Verder de altaren die op het dak van de opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, en ook de altaren, die Manasse in de twee voorhoven van het huis van JAHWEH gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron.
13De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, die waren ter rechterhand van de berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, voor Astoreth, de gruwel van de Sidoniërs, en voor Kamos, de gruwel van de Moabieten, en voor Milchom, de gruwel van de kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.
14Ook brak hij de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij vervulde hun plaats met mensenbeenderen.
15Daartoe ook het altaar, dat te Beth-el was, en de hoogte, die Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, gemaakt had; samen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos.
16En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op de berg waren, en zond heen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord van JAHWEH, dat de man van God uitgeroepen had, die deze woorden uitriep.
17Verder zei hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik zie? En de mensen van de stad zeiden tot hem: Het is het graf van de man van God, die uit Juda kwam, en deze dingen, die u tegen dit altaar van Beth-el gedaan hebt, uitgeroepen heeft.
18En hij zei: Laat hem liggen, dat niemand zijn beenderen verroere. Zo bevrijdden zij zijn beenderen, met de beenderen van de profeet, die uit Samaria gekomen was.
19Daartoe nam Josia ook weg al de huizen van de hoogten, die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden, om JAHWEH tot toorn te verwekken; en hij deed daarmee naar al de daden, die hij te Beth-el gedaan had.
20En hij slachtte al de priesters van de hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen daarop. Daarna keerde hij weer naar Jeruzalem.
21En de koning gebood het hele volk, zeggende: Houd JAHWEH, uw God, pascha, zoals in dit boek van het verbond geschreven is.
22Want zoals dit pascha was er geen gehouden, van de dagen van de richteren af, die Israël gericht hadden, noch in al de dagen van de koningen van Israël, noch van de koningen van Juda.
23Maar in het achttiende jaar van de koning Josia, werd dit pascha voor JAHWEH te Jeruzalem gehouden.
24En ook deed Josia weg de waarzeggers, en de dodenbezweerders, en de terafim, en de afgoden, en alle gruwelijke dingen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden van de wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkia in het huis van JAHWEH gevonden had.
25En voor hem was geen koning zijn gelijke, die zich tot JAHWEH, met zijn hele hart, en met zijn hele ziel, en met zijn hele kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijn gelijke niet op.
26Toch keerde zich JAHWEH van de brand van Zijn grote toorn niet af, waarmee Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmee Manasse Hem getergd had.
27En JAHWEH zei: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, zoals Ik Israël weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik gekozen heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen.
28Het overige nu van de geschiedenissen van Josia, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?
29In zijn dagen trok Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen de koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josia trok hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had.
30En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk van het land nam Joahaz, de zoon van Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in de plaats van zijn vader.
31Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, van Libna.
32En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat zijn vaders gedaan hadden.
33Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud.
34Ook maakte Farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf daar.
35En Jojakim gaf dat zilver en dat goud aan Farao; maar hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Farao te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk van het land, om aan Farao Necho te geven.
36Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zebudda, een dochter van Pedaja, van Ruma.
37En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat zijn vaders gedaan hadden.