Bijbel2 Koningen

2 Koningen 4

Lees 2 Koningen 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Elisa vermenigvuldigt door een wonder de olie van een arme weduwe, vers 1, enz. Hij wordt door de Sunamitische geherbergd, 8. hij belooft haar een zoon, 12. die zij krijgt, 17. de zoon sterft, 18. die Elisa weer levend maakt, 29. hij ontneemt de kolokwinten hun giftigheid, 38. en spijst honderd mannen met twintig gerstebroden en groene aren, 42.

1Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen van de profeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en u weet, dat uw knecht JAHWEH was vrezende; nu is de schuldheer gekomen, om mijn beide kinderen voor zich tot knechten te nemen.

2En Elisa zei tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat u in het huis hebt. En zij zei: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis, dan een kruik met olie.

3Toen zei hij: Ga, eis voor u kruiken van buiten, van al uw buren lege kruiken; maak er niet weinig te hebben.

4Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet in al die kruiken, en zet weg, dat vol is.

5Zo ging zij van hem, en sloot de deur voor zich en voor haar zonen toe; die brachten haar de kruiken toe, en zij goot in.

6En het gebeurde, als die kruiken vol waren, dat zij tot haar zoon zei: Breng mij nog een kruik aan; maar hij zei tot haar: Er is geen kruik meer. En de olie stond stil.

7Toen kwam zij, en gaf het de man van God te kennen; en hij zei: Ga heen, verkoop de olie, en betaal uw schuldheer; u dan met uw zonen, leef bij het overige.

8Het gebeurde ook op een dag, als Elisa naar Sunem doortrok, dat daar een grote vrouw was, die hem aanhield om brood te eten. Verder gebeurde het, telkens hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten.

9En zij zei tot haar man: Zie nu, ik heb gemerkt, dat deze man van God heilig is, die bij ons altijd doortrekt.

10Laat ons toch een kleine opperkamer van een wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zo zal het gebeuren, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke.

11En het gebeurde op een dag, dat hij daar kwam; en hij week in die opperkamer, en legde zich daar neer.

12Toen zei hij tot zijn jongen Gehazi: Roep deze Sunamietische. En als hij ze geroepen had, stond zij voor zijn aangezicht.

13(Want hij had hem gezegd: Zeg nu tot haar: Zie, u bent zorgvuldig voor ons geweest, met al deze zorgvuldigheid; wat is er voor u te doen? Is er iets om voor u te spreken tot de koning, of tot de oorlogsoverste? En zij had gezegd: Ik woon in het midden van mijn volk.

14Toen had hij gezegd: Wat is er dan voor haar te doen? En Gehazi had gezegd: Zij heeft toch geen zoon, en haar man is oud.

15Daarom had hij gezegd: Roep haar. En als hij ze geroepen had, stond zij in de deur.)

16En hij zei: Op deze vastgestelde tijd, ongeveer deze tijd van het leven zult u een zoon omhelzen. En zij zei: Nee, mijn heer, u, man van God, lieg tegen uw dienstmaagd niet.

17En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon op die vastgestelde tijd, ongeveer de tijd van het leven, die Elisa tot haar gesproken had.

18Toen nu het kind groot werd, gebeurde het op een dag, dat het uitging tot zijn vader, tot de maaiers.

19En het zei tot zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! Hij dan zei tot een jongen: Draag hem tot zijn moeder.

20En hij droeg hem, en bracht hem tot zijn moeder. En hij zat op haar knieën tot aan de middag toe; toen stierf hij.

21En zij ging op, en legde hem op het bed van de man van God; daarna sloot zij voor hem toe, en ging uit.

22En zij riep om haar man, en zei: Zend mij toch één van de jongens, en één van de ezelinnen, dat ik tot de man van God lope, en wederkome.

23En hij zei: Waarom gaat u vandaag tot hem? Het is geen nieuwe maan, noch sabbat. En zij zei: Het zal wel zijn.

24Toen zadelde zij de ezelin, en zei tot haar jongen: Drijf, en ga voort; houd mij niet op voort te rijden, tenzij dan dat ik het u zeg.

25Zo trok zij heen, en kwam tot de man van God, tot de berg Karmel. En het gebeurde, als de man van God haar van tegenover zag, dat hij tot Gehazi, zijn jongen, zei: Zie, daar is de Sunamietische.

26Nu loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zei: Het is wel.

27Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitter bedroefd, en JAHWEH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.

28En zij zei: Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Zei ik niet: Bedrieg mij niet?

29En hij zei tot Gehazi: Gord uw middel, en neem mijn staf in uw hand, en ga heen; zo u iemand vindt, groet hem niet; en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van de jongen.

30Maar de moeder van de jongen zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Hij stond dan op, en volgde haar na.

31Gehazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan; en hij legde de staf op het aangezicht van de jongen; maar er was geen stem, noch opmerking. Zo keerde hij weer hem tegemoet, en bracht hem boodschap, zeggende: De jongen is niet ontwaakt.

32En toen Elisa in het huis kwam, ziet, zo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed.

33Zo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot JAHWEH.

34En hij klom op, en legde zich neer op het kind, en leggende zijn mond op zijn mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit. En het vlees van het kind werd warm.

35Daarna kwam hij weer, en wandelde in het huis eens herwaarts, en eens daarheen, en klom weer op, en breidde zich over hem uit; en de jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open.

36En hij riep Gehazi, en zei: Roep deze Sunamietische. En hij riep ze, en zij kwam tot hem; en hij zei: Neem uw zoon op.

37Zo kwam zij, en viel voor zijn voeten, en boog zich ter aarde, en zij nam haar zoon op, en ging uit.

38Als nu Elisa weer te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen van de profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zei tot zijn jongen: Zet de grote pot aan, en kook moes voor de zonen van de profeten.

39Toen ging er één uit in het veld, om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilde wijnstok, en las daarvan, zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam, en sneed ze in de moespot; want zij kenden ze niet.

40Daarna schepten zij voor de mannen op om te eten; en het gebeurde, als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man van God, de dood is in de pot! En zij konden het niet eten.

41Maar hij zei: Breng dan meel; en hij wierp het in de pot; en hij zei: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in de pot.

42En er kwam een man van Baäl-salisa, en bracht de man van God broden van de eerstelingen, twintig gerstebroden, en groene aren in haar hulzen; en hij zei: Geef aan het volk, dat zij eten.

43Maar zijn dienaar zei: Wat zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? En hij zei: Geef aan het volk, dat zij eten; want zo zegt JAHWEH: Men zal eten en overhouden.

44Zo zette hij het hun voor, en zij aten, en zij hielden over, naar het woord van JAHWEH.