2 Koningen 8
Lees 2 Koningen 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De Sunamitische vrouw, die om zekere duurte het land op raad van Elisa verlaten had, keert terug, vers 1, enz. en krijgt al haar goed terug, op last van de koning, 4. Elisa voorzegt de dood van Benhadad, 7. en de regering van Hazaël over Syrië, 12. Joram wordt koning na Josafat, 16. verlaat de HEERE, 18. daarom vallen de Edomieten van hem af, en die van Libna, 20. hij sterft, en Ahazia wordt koning in zijn plaats, 24. hij houdt vriendschap met Joram, de koning van Israël, 28.
1Elisa nu had gesproken tot die vrouw, van wie de zoon hij levend gemaakt had, zeggende: Maak u op, en ga heen, u en uw huisgezin, en verkeer als vreemdeling, waar u verkeren kunt; want JAHWEH heeft een honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal.
2En de vrouw had zich opgemaakt, en had gedaan naar het woord van de man van God; want zij was gegaan met haar huisgezin, en had als vreemdeling verkeerd in het land van de Filistijnen, zeven jaren.
3En het gebeurde met het einde van de zeven jaren, dat de vrouw uit het land van de Filistijnen terugkeerde; en zij ging uit, dat zij tot de koning riep, om haar huis en om haar akker.
4De koning nu sprak tot Gehazi, de jongen van de man van God, zeggende: Vertel mij toch al de grote dingen, die Elisa gedaan heeft.
5En het gebeurde, als hij de koning vertelde, hoe hij een dode had levend gemaakt, ziet, zo riep de vrouw, van wie de zoon hij levend gemaakt had, tot de koning, om haar huis en om haar akker. Toen zei Gehazi: Mijn heer koning! Dit is de vrouw, en dit is haar zoon, die Elisa heeft levend gemaakt.
6En de koning ondervraagde de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de koning haar een kamerling, zeggende: Doe haar wederhebben alles, wat het hare was, daartoe alle inkomsten van de akker, van de dag af, dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe.
7Daarna kwam Elisa in Damascus, als Benhadad, de koning van Syrië, ziek was; en men boodschapte hem, zeggende: De man van God is herwaarts gekomen.
8Toen zei de koning tot Hazaël: Neem een geschenk in uw hand, en ga de man van God tegemoet; en vraag door hem JAHWEH, zeggende: Zal ik van deze ziekte genezen?
9Zo ging Hazaël hem tegemoet, en nam een geschenk in zijn hand, te weten, alle goed van Damascus, een last van veertig kamelen; en hij kwam, en stond voor zijn aangezicht, en zei: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze ziekte genezen?
10En Elisa zei tot hem: Ga, zeg, u zult geheel niet genezen; want JAHWEH heeft mij getoond, dat hij de dood sterven zal.
11En hij hield zijn gezicht staande, en zette het vast tot schamens toe; en de man van God huilde.
12Toen zei Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij zei: omdat ik weet, wat kwaad u de Israëlieten doen zult; u zult hun vestingen in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden.
13En Hazaël zei: Maar wat is uw knecht, die een hond is, dat hij deze grote zaak doen zou? En Elisa zei: JAHWEH heeft mij getoond, dat u koning zijn zult over Syrië.
14Zo ging hij weg van Elisa, en kwam tot zijn heer, die tot hem zei: Wat heeft Elisa tot u gezegd? En hij zei: Hij heeft tot mij gezegd: U zult zeker genezen.
15En het gebeurde op de andere dag, dat hij een deken nam, en in het water doopte, en over zijn aangezicht uitspreidde, dat hij stierf; en Hazaël werd koning in zijn plaats.
16In het vijfde jaar nu van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, toen Josafat koning was van Juda, begon Jehoram, de zoon van Josafat, de koning van Juda, te regeren.
17Hij was twee en dertig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.
18En hij wandelde op de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed; want de dochter van Achab was hem tot vrouw geworden; en hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH.
19Maar JAHWEH wilde Juda niet verderven, omwille van David, Zijn knecht; zoals Hij hem gezegd had, dat Hij hem altijd voor zijn zonen een lamp zou geven.
20In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten een koning over zich.
21Daarom trok Joram over naar Zair, en al de wagens met hem; en hij maakte zich in de nacht op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, daartoe de oversten van de wagens; en het volk vluchtte in zijn hutten.
22De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op deze dag; toen viel Libna af in deze tijd.
23Het overige nu van de geschiedenissen van Joram, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?
24En Joram ontsliep met zijn vaders, en werd begraven bij zijn vaders, in de stad van David; en Ahazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
25In het twaalfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, begon Ahazia, de zoon van Jeroham, de koning van Juda, te regeren.
26Twee en twintig jaren was Ahazia oud, als hij koning werd, en regeerde één jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, de dochter van Omri, de koning van Israël.
27En hij wandelde in de weg van het huis van Achab, en deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, zoals het huis van Achab; want hij was een schoonzoon van het huis van Achab.
28En hij trok met Joram, de zoon van Achab, naar de strijd, te Ramoth in Gilead, tegen Hazaël, de koning van Syrië; en de Syriërs sloegen Joram.
29Toen keerde Joram, de koning, terug, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en Ahazia, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bekijken, want hij was ziek.