2 Koningen 9
Lees 2 Koningen 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Een profeet zalft, op last van Elisa, Jehu tot koning over Israël, vers 1, enz. die hij gelast het huis van Achab uit te roeien, 7. Jehu wordt door de krijgsoversten als koning erkend en uitgeroepen, 11. hij maakt een verbond tegen Joram, 14. trekt naar hem toe te Jizreël, 15. doorschiet hem, 24. doodt ook Ahazia, de koning van Juda, 27. en laat Izebel uit het venster werpen, 30. die door de honden gegeten wordt, 34.
1Toen riep de profeet Elisa één van de zonen van de profeten, en hij zei tot hem: Gord uw middel, en neem deze oliekruik in uw hand, en ga heen naar Ramoth in Gilead.
2Als u daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden van zijn broers, en breng hem in een binnenste kamer.
3En neem de oliekruik, en giet ze uit op zijn hoofd, en zeg: Zo zegt JAHWEH: Ik heb u tot koning gezalfd over Israël. Doe daarna de deur open, en vlucht, en wacht niet langer.
4Zo ging de jongeling, die jongeling van de profeet, naar Ramoth in Gilead.
5En toen hij inkwam, ziet, daar zaten de hoofdmannen van het leger, en hij zei: Ik heb een woord aan u, o hoofdman! En Jehu zei: Tot wie van ons allen? En hij zei: Tot u, o hoofdman!
6Toen stond hij op, en ging in huis; hij dan goot de olie op zijn hoofd, en hij zei tot hem: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Ik heb u gezalfd tot koning over het volk van JAHWEH, over Israël.
7En u zult het huis van Achab, uw heer, slaan, opdat Ik het bloed van Mijn knechten, de profeten, en het bloed van alle knechten van JAHWEH, wreke van de hand van Izebel.
8En het hele huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook de beslotene en verlatene in Israël.
9Want Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en als het huis van Baësa, de zoon van Ahia.
10Ook zullen de honden Izebel eten op het stuk lands van Jizreël, en er zal niemand zijn, die haar begrave. Toen deed hij de deur open en vluchtte.
11En als Jehu uitging tot de knechten van zijn heer, zei men tot hem: Is het al wel? Waarom is deze krankzinnige tot u gekomen? En hij zei tot hen: U kent de man en zijn spraak.
12Maar zij zeiden: Het is leugen; geef het ons nu te kennen. En hij zei: Zo en zo heeft hij tot mij gesproken, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Ik heb u gezalfd tot koning over Israël.
13Toen haastten zij zich, en ieder nam zijn kleed, en legde het onder hem, op de hoogste trap; en zij bliezen met de bazuin, en zeiden: Jehu is koning geworden!
14Zo maakte Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, een samenzwering tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en geheel Israël, wegens Hazaël, de koning van Syrië;
15Maar de koning Joram was teruggekeerd, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië.) En Jehu zei: Zo het uw wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreël te gaan verkondigen.
16Toen reed Jehu, en trok naar Jizreël; want Joram lag daar; en Ahazia, de koning van Juda, was afgekomen, om Joram te bekijken.
17De wachter nu stond op de toren te Jizreël, en zag de hoop van Jehu, als hij aankwam, en zei: Ik zie één hoop. Toen zei Joram: Neem een ruiter, en zend die hun tegemoet, en dat hij zegt: Is het vrede?
18En de ruiter te paard trok heen hem tegemoet, en zei: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zei: Wat hebt u met de vrede te doen? Keer om naar achter mij. En de wachter gaf het te kennen, zeggende: De bode is tot hen gekomen, maar hij komt niet weer.
19Toen zond hij een andere ruiter te paard; en als deze tot hen gekomen was, zei hij: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zei: Wat hebt u met de vrede te doen? Keer om naar achter mij.
20En de wachter gaf dit te kennen, zeggende: Hij is tot aan hen gekomen, maar hij komt niet weer; en het drijven is als het drijven van Jehu, de zoon van Nimsi, want hij drijft als een razende.
21Toen zei Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo trok Joram, de koning van Israël, uit, en Ahazia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zij trokken uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, de Jizreëliet.
22Het gebeurde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zei: Is het ook vrede, Jehu? Maar hij zei: Wat vrede, zo lang als de hoererijen van uw moeder Izebel, en haar toverijen zo vele zijn?
23Toen keerde Joram zijn hand, en vluchtte, en zei tot Ahazia: Het is bedrog, Ahazia!
24Maar Jehu spande de boog met volle kracht, en schoot Joram tussen zijn armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en hij kromde zich in zijn wagen.
25Toen zei Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, de Jizreëliet; want gedenk, als ik en u naast elkaar achter zijn vader Achab reden, dat hem JAHWEH deze last oplegde, zeggende:
26Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed van zijn zonen, zegt JAHWEH, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt JAHWEH. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het woord van JAHWEH.
27Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vluchtte hij door de weg van het huis van de hof; maar Jehu vervolgde hem achterna, en zei: Sla hem ook op de wagen, aan de opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vluchtte naar Megiddo, en stierf daar.
28En zijn knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn graf, bij zijn vaders in de stad van David.
29In het elfde jaar nu van Joram, de zoon van Achab, was Ahazia koning geworden over Juda.
30En Jehu kwam te Jizreël. Als Izebel dat hoorde, zo verfde zij haar aangezicht, en versierde haar hoofd, en keek ten venster uit.
31Toen nu Jehu ter poorte inkwam, zei zij: Is het wel, o Zimri, moordenaar van zijn heer?
32En hij hief zijn aangezicht op naar het venster, en zei: Wie is met mij? Wie? Toen zagen op hem twee, drie kamerlingen.
33En hij zei: Stoot ze van boven neer. En zij stootten haar van boven neer, zodat van haar bloed aan de wand en aan de paarden gesprengd werd; en hij vertrad haar.
34Als hij nu ingekomen was, en gegeten en gedronken had, zei hij: Zie nu naar die vervloekte, en begraaf ze; want zij is de dochter van een koning.
35En zij gingen heen om haar te begraven; maar zij vonden niet van haar, dan de schedel, en de voeten, en de palmen van haar handen.
36Toen kwamen zij weer, en gaven het hem te kennen, en hij zei: Dit is het woord van JAHWEH, dat Hij gesproken heeft door de dienst van Zijn knecht Elia, de Thisbiet, zeggende: Op het stuk lands van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten.
37En het dode lichaam van Izebel zal zijn zoals mest op het veld, in het stuk lands van Jizreël, dat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izebel.