Bijbel

2 Korinthiërs

Nieuwe Testament · 13 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

In deze brief verdedigt de apostel in het bijzonder zijn leer en zijn apostelschap tegen de aantijgingen en lasteringen van de valse apostelen. Na een korte inleiding in de eerste zeven verzen van het eerste hoofdstuk verklaart hij in de rest van het hoofdstuk waarom hij, ondanks zijn belofte in de vorige brief, nog niet tot hen was gekomen: namelijk niet uit lichtzinnigheid, maar vanwege de zware vervolgingen die hem in Azië hadden getroffen, en omdat hij hun de tijd wilde geven om de gebreken die hij in hen berispt had, te verbeteren, zodat hij in vriendschap bij hen zou kunnen zijn. In Hoofdstuk 2 geeft hij de reden voor zijn harde woorden over het dulden van de bloedschender, en hij vermaant hen dat zij hem, vanwege zijn berouw en droefheid naar God, weer moeten troosten en aannemen. In Hoofdstuk 3 maakt hij onderscheid tussen de leer van de valse apostelen, die de wet beklemtoonden, welke hij een doodbrengende letter noemt, en zijn eigen leer, die een leer van leven en een dienst van de Geest is. In Hoofdstuk 4 verklaart hij dat zij dit onderscheid onder elkaar zo hadden ervaren, en dat zijn Evangelie alleen bedekt was voor wie verloren gaan; en hij bewijst met zijn eigen voorbeeld hoe krachtig de Geest van Christus door dit woord van het kruis is, om alle moeilijkheden met geduld te dragen. In Hoofdstuk 5 betuigt hij dat wij door dezelfde leer en Geest van Christus bewogen worden om deze aardse tent gewillig af te leggen en naar een beter leven te verlangen; en hij stelt als grondslag van dit verlangen de leer van onze verzoening met God door de dood van Christus, waarvan de apostelen boodschappers waren. Daaruit trekt hij in Hoofdstuk 6 zeer ernstige en krachtige vermaningen tot geduld en godsvrucht, die hij in zijn eigen persoon voorstelt, terwijl hij hen aan het einde waarschuwt tegen de gemeenschap met de ongelovigen en afgodendienaars. In Hoofdstuk 7 betuigt hij de voldoening die hij in zijn gemoed ontvangen heeft toen hij vernam hoe zij zijn vermaning ten dele hadden aangenomen en over hun vroegere gebreken berouw hadden getoond. In de Hoofdstukken 8 en 9 behandelt hij uitvoerig de inzamelingen en aalmoezen, uit welke grond die moeten voortkomen en waartoe zij moeten dienen. In Hoofdstuk 10 spreekt hij over zijn geestelijke macht, die hij niet tot afbraak maar tot opbouw had ontvangen; daaraan voegt hij een apostolische roem toe, waarbij hij aantoont dat de valse apostelen nergens op konden roemen waarop hij niet veel overvloediger kon roemen, en dat hij daarin veel op hen voorhad, tot het einde van Hoofdstuk 11. In Hoofdstuk 12 spreekt hij over de bijzondere openbaringen die Christus hem in de derde hemel had gegeven, en hij betuigt dat hem daarom een engel van de satan in zijn vlees was gegeven tot zijn vernedering; en hij verklaart verder hoe hij onder hen had gewandeld als een trouw apostel van Christus, zonder zichzelf ergens in te zoeken. Ten slotte waarschuwt hij in Hoofdstuk 13 hen die zich tegen zijn vermaningen halsstarrig zouden tonen, en hij dreigt hen met zijn apostolische macht als zij zich niet zouden bekeren. Daarna besluit hij in de drie laatste verzen zijn brief met de wens van alle goeds, met de gebruikelijke apostolische groet en met een ernstig gebed voor hen.