2 Korinthiërs 11
Lees 2 Korinthiërs 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De apostel getuigt van zijn ijver voor de gemeente van Korinthe, om hen te bewaren bij de eenvoud die in Christus is, 3 en vermaant hen dat zij zich daarvan niet laten afbrengen, zoals Eva door de satan verleid is, 4 aangezien niet alleen geen valse apostelen, maar zelfs geen andere apostel van Christus hun iets kon bijbrengen dat zij niet door hem hadden ontvangen. 6 Want onder hen had hij niet geroemd zoals dezen, maar zich nederig gedragen, en zelfs geen onderhoud ontvangen, zoals hij wel van andere gemeenten had gedaan. 11 Dat was niet gebeurd omdat hij hen niet liefhad, 12 maar om de valse apostelen hun roem te ontnemen, die zich veranderden in engelen van het licht. 16 En hoewel het niet verstandig is veel te roemen, 18 bewijst hij toch dat niemand van dezen iets kan roemen waarvan ook hij niet kan roemen, 23 ja, dat hij in lijden en arbeid voor de zaak van Christus hen allen overtrof, 28 naast de zorg die hij had voor alle gemeenten, 32 en de moeilijkheden die hij in het begin van zijn dienst te Damascus had doorstaan, waar hij over de muren van de stad in een mand was ontsnapt.
1Och, of u mij een weinig verdroeg in de onwijsheid; ja ook, verdraagt mij!
2Want ik ben ijverig over u met een ijver van God; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan één man voor te stellen, namelijk aan Christus.
3Maar ik vrees, dat niet enigszins, zoals de slang Eva door haar sluwheid bedrogen heeft, zo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoud, die in Christus is.
4Want als degene, die komt, een andere Jezus predikte, die wij niet gepredikt hebben, of als u een andere geest ontvingt, die u niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat u niet hebt aangenomen, zo verdroegt u hem met recht.
5Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen.
6En als ik ook slecht ben in woorden, toch ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden.
7Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelf vernederd heb, opdat u zou verhoogd worden, omdat ik u het Evangelie van God om niet verkondigd heb?
8Ik heb andere Gemeenten beroofd, soldij van haar nemende, om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen.
9Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedonië kwamen; en ik heb mijzelf in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog zo houden.
10De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd worden.
11Waarom? Is het, omdat ik u niet liefheb? God weet het!
12Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden van hen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in wat zij roemen, bevonden mochten worden zoals wij.
13Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus.
14En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel van het licht.
15Zo is het dan niets groots, als ook zijn dienaren zich veranderen, als waren zij dienaren van de gerechtigheid; van wie het einde zal zijn naar hun werken.
16Ik zeg opnieuw, dat niemand mene, dat ik onwijs ben; maar zo niet, neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik ook een weinig mag roemen.
17Dat ik spreek, spreek ik niet naar de Heere, maar als in onwijsheid, in deze vasten grond van de roeming.
18Omdat velen roemen naar het vlees, zo zal ik ook roemen.
19Want u verdraagt graag de onwijzen, omdat u wijs bent.
20Want u verdraagt het, zo u iemand dienstbaar maakt, zo u iemand opeet, zo iemand van u neemt, zo zich iemand verheft, zo u iemand in het aangezicht slaat.
21Ik zeg dit naar oneer, zoals of wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stoutmoedig is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stoutmoedig.
22Zijn zij Hebreën? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook.
23Zijn zij dienaren van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitmuntender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar dikwijls.
24Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen.
25Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, drie keer heb ik schipbreuk geleden, een ganse nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht.
26In het reizen dikwijls in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valse broeders;
27In arbeid en moeite, in waken dikwijls, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid.
28Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de Gemeenten.
29Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie komt er ten val, dat ik niet brande?
30Als men moet roemen, zo zal ik roemen de dingen van mijn zwakheid.
31De God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die geprezen is in de eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg.
32De stadhouder van de koning Aretas in Damascus, bezette de stad van de Damaskenen, willende mij vangen;
33En ik werd door een venster in een mand over de muur nedergelaten, en ontvluchtte zijn handen.