2 Korinthiërs 3
Lees 2 Korinthiërs 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De apostel geeft de reden waarom hij de dienst van het Evangelie aan het eind van het voorgaande hoofdstuk zo hoog had geprezen, en hij beroept zich eerst op de ervaring van de Korinthiers zelf, die door deze dienst van hem tot Christus bekeerd waren. 5 Hij voegt eraan toe dat deze kracht niet uit hem, maar uit God was. 6 Hij bewijst dit verder door een vergelijking van de dienst van Mozes, die hij een dodende letter noemt, gegrift in stenen tafelen, en een bediening van de verdoemenis die niet blijft, met de dienst van de apostelen, die hij een dienst van de Geest, van het leven en van de gerechtigheid noemt, en die altijd blijft. 13 Hij verklaart dat op het gezicht van Mozes een sluier lag, en ook op het lezen van de wet, zodat de Joden het einddoel daarvan niet begrepen. 16 Deze sluier zal van hen weggenomen worden wanneer zij tot God bekeerd zijn. 17 Maar de dienst van het Nieuwe Testament is helder, en een middel waardoor de Geest van de Heere krachtig is tot onze vernieuwing.
1Beginnen wij onszelf opnieuw u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, zoals sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u?
2U bent onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle mensen;
3Als die openbaar bent geworden, dat u een brief van Christus bent, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen van het hart.
4En zulk een vertrouwen hebben wij door Christus bij God.
5Niet dat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelf; maar onze bekwaamheid is uit God;
6Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
7En als de bediening van de dood in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, zo dat de Israëlieten het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid van zijn aangezicht, die te niet gedaan zou worden.
8Hoe zal niet veel meer de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn?
9Want als de bediening van de verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.
10Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in deze dele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid.
11Want als wat te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is, wat blijft, in heerlijkheid.
12Omdat wij dan zulke hoop hebben, zo gebruiken wij veel vrijmoedigheid in het spreken;
13En doen niet zoals Mozes, die een deksel op zijn aangezicht legde, opdat de Israëlieten niet zouden sterk zien op het einde van wat te niet gedaan wordt.
14Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op de dag van vandaag blijft hetzelfde deksel in het lezen van het Oude Testament, zonder ontdekt te worden, dat door Christus te niet gedaan wordt.
15Maar tot de huidige dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart.
16Maar zo wanneer het tot de Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.
17De Heere nu is de Geest; en waar de Geest van de Heere is, daar is vrijheid.
18En wij allen, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Geest van de Heere.