2 Korinthiërs 4
Lees 2 Korinthiërs 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De apostel getuigt dat hij het Evangelie van Christus oprecht en duidelijk voorstelt voor het geweten van alle mensen. 3 En als het voor iemand bedekt is, dan is het bedekt voor hen die verloren gaan, en van wie de satan de zinnen heeft verblind. 5 Dat deze kracht toch niet van de dienaren, maar van Christus is, en van God die de harten verlicht. 8 Dat deze kracht zich ook wonderlijk openbaart in de apostelen van Christus zelf, in het overwinnen van allerlei verdrukkingen en moeilijkheden die hun dagelijks overkomen. 13 Daarna noemt hij verschillende redenen tot vertroosting, waarmee zij zichzelf en anderen versterken, ontleend aan het voorbeeld van David, 14 aan de zalige opstanding, 15 aan de dankbaarheid voor zulke verlossingen, 16 aan de vernieuwing van de innerlijke mens, 17 en ten slotte aan de grootte van de eeuwige heerlijkheid die hierop zal volgen.
1Daarom omdat wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons gebeurd is, zo vertragen wij niet;
2Maar wij hebben verworpen de bedekselen van de schande, niet wandelende in sluwheid, noch het Woord van God vervalsende, maar door openbaring van de waarheid onszelf aangenaam makende bij alle gewetens van de mensen, in de aanwezigheid van God.
3Maar als ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan;
4In die de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het Beeld van God is.
5Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus, de Heere; en onszelf, dat wij uw dienaren zijn om Jezus' wil.
6Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus.
7Maar wij hebben deze schat in aarden kruiken, opdat de uitnemendheid van de kracht zij van God, en niet uit ons;
8Als die in alles verdrukt worden, maar niet benauwd; twijfelmoedig, maar niet mismoedig;
9Vervolgd, maar niet daarin verlaten; neergeworpen, maar niet verdorven;
10Altijd de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.
11Want wij, die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus' wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.
12Zo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven in u.
13Omdat wij nu deze Geest van het geloof hebben, zoals er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook;
14Wetende, dat Hij, Die de Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met u daar zal stellen.
15Want al deze dingen zijn om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig wordt ter heerlijkheid van God.
16Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt toch de inwendige vernieuwd van dag tot dag.
17Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een geheel zeer uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid;
18Omdat wij niet beschouwen de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.