Bijbel

2 Kronieken

Oude Testament · 36 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

Voor de benamingen van dit boek en van het voorgaande kan de lezer de inleiding raadplegen die bij het eerste boek van de Kronieken staat. In dit tweede boek wordt de geschiedenis van het volk van God en zijn koningen, zoals die in het voorgaande boek was afgebroken, voortgezet tot aan de Babylonische gevangenschap. Hoewel hier ook gesproken wordt over de koningen van Israël, die in het bijzonder zo genoemd werden nadat de tien stammen zich van het huis van David hadden afgescheiden, is in dit boek toch vooral de geschiedenis van de koningen van Juda beschreven, naar men meent door Ezra. Daarvoor waren goede redenen. Want behalve dat Juda de ware leer en de zuivere godsdienst nog enigszins behouden had, waarvan de tien stammen zozeer afgeweken waren dat God hen ten slotte door Salmanasser, de koning van Assyrië, uit hun land gevankelijk had laten wegvoeren zonder hoop op verlossing, was Juda daarna eigenlijk alleen nog Gods volk, en juist die geschiedenis had Ezra op het oog; zo moest ook de Messias uit diezelfde stam, ja uit het koninklijke geslacht van David naar het vlees voortkomen. Daarom moest de geschiedenis van zijn koninklijke voorvaderen van het begin af tot aan zijn komst toe zorgvuldig opgetekend worden, opdat Gods beloften waarachtig bevonden zouden worden. En aangezien in het voorgaande boek de geschiedenis van David beschreven is, wordt dit tweede boek nu begonnen met het verhaal van de regering van Salomo, die in de plaats van zijn vader gekomen is. Hij wordt buitengewoon begiftigd met grote wijsheid, die hij van God begeerd had, waarbij ook rijkdom kwam, die hij besteed heeft aan de bouw van de tempel en andere gebouwen, evenals eer die hij ontving van de omliggende volken. Maar vanwege zijn zonden is zijn rijk verdeeld geworden, toen zijn zoon Rehabeam in zijn plaats zou komen. Tien stammen weken van Juda af en kozen Jerobeam tot hun koning. Vanaf Rehabeam zijn verder in de opvolging van het koninkrijk Juda gekomen, in deze volgorde: Abia, Asa, Josafat, Joram, Ahazia, Joas, Amazia, Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, Manasse, Amon, Josia, Joahaz, Jojakim, Jojachin, Zedekia; van wie velen afgodendienaars geweest zijn, terwijl sommigen de ware godsdienst en de zuivere dienst van God voorstonden, zoals Asa, Josafat, Joas, Amazia, Uzzia, Jotham, Hizkia en Josia, hoewel zij in goede ijver en oprechte godsvrucht niet aan elkaar gelijk waren. Ook hebben sommigen zich van het goede tot het kwade gekeerd, zoals Joas en Amazia, of zich van het kwade tot het goede bekeerd, zoals Manasse. Ondertussen heeft de HEERE nooit opgehouden zowel de koningen als de hele gemeente tot bekering te roepen, en gebruikte daartoe de dienst van de profeten, die in deze tijd elkaar in groten getale opvolgden, van Elia en Elisa af tot Ezechiël en Daniël. Maar omdat zij door de meerderheid niet gehoord, ja veracht en bespot werden, heeft de HEERE dit koninkrijk Juda ten slotte laten overheersen door Nebukadnezar, de koning van Babel, die de Joden gevankelijk naar zijn land heeft weggevoerd, waar zij zeventig jaar gebleven zijn, totdat Cyrus, die het rijk van de Babyloniërs aan de Perzen gebracht heeft, hun de vrijheid gaf om weer naar huis terug te keren, zoals uitvoeriger te zien is in de volgende boeken van Ezra en Nehemia. Zo omvat dit boek, volgens de berekening van sommigen, de geschiedenis van 424 jaar.