2 Kronieken 1
Lees 2 Kronieken 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Nadat Salomo bevestigd is in zijn rijk, offert hij te Gibeon, vers 1 enz. Daar hij van God de keuze krijgt om iets van Hem te begeren, bidt hij om wijsheid, 7. Deze verkrijgt hij, met de belofte van rijkdom en eer, 11. Hij keert terug van Gibeon, 13. Zijn macht en grote middelen, 14.
1En Salomo, de zoon van David, werd versterkt in zijn koninkrijk, want JAHWEH, zijn God, was met hem, en maakte hem ten hoogste groot.
2En Salomo sprak tot het hele Israël, tot de oversten van de duizenden en van de honderden, en tot de richteren, en tot alle oversten in geheel Israël, de familiehoofden;
3En zij gingen heen, Salomo en de hele gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was; want daar was de tent van de samenkomst Gods, die Mozes, de knecht van JAHWEH, in de woestijn gemaakt had.
4(Maar de ark van God had David van Kirjath-jearim opgebracht, ter plaatse, die David voor haar bereid had; want hij had voor haar een tent te Jeruzalem gespannen.)
5Ook was het koperen altaar, dat Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, gemaakt had, daar voor de tabernakel van JAHWEH; Salomo nu en de gemeente bezochten hetzelfde.
6En Salomo offerde daar, voor het aangezicht van JAHWEH, op het koperen altaar, dat aan de tent van de samenkomst was; en hij offerde daarop duizend brandoffers.
7In die nacht verscheen God aan Salomo; en Hij zei tot hem: Begeer, wat Ik u geven zal.
8En Salomo zei tot God: U hebt aan mijn vader David grote goedertierenheid gedaan; en U hebt mij koning gemaakt in zijn plaats;
9Nu, JAHWEH God, laat Uw woord waar worden, gedaan aan mijn vader David; want U hebt mij koning gemaakt over een volk, veelvuldig als het stof van de aarde;
10Geef mij nu wijsheid en wetenschap, dat ik voor het aangezicht van dit volk uitga en inga; want wie zou dit Uw groot volk kunnen richten?
11Toen zei God tot Salomo: Daarom, dat dit in uw hart geweest is, en u niet begeerd hebt rijkdom, goederen, noch eer, noch de ziel van uw vijanden, noch ook vele dagen begeerd hebt; maar wijsheid en wetenschap voor u begeerd hebt, opdat u Mijn volk mocht richten, waarover Ik u koning gemaakt heb;
12De wijsheid, en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom, en goederen, en eer geven, dergelijke geen koningen, die voor u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn.
13Zo kwam Salomo te Jeruzalem, van de hoogte, die te Gibeon is, van voor de tent van de samenkomst; en hij regeerde over Israël.
14En Salomo verzamelde wagens en ruiteren, zodat hij duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren had; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem.
15En de koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als wilde vijgebomen, die in de laagten zijn, in menigte.
16En het uitbrengen van de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnengaren, de kooplieden van de koning namen het linnengaren voor de prijs.
17En zij brachten op, en voerden een wagen uit van Egypte voor zeshonderd sikkels zilver, en een paard voor eenhonderd en vijftig; en zo voerden zij die door hun hand uit, voor alle koningen van de Hethieten, en voor de koningen van Syrië.