Bijbel2 Kronieken

2 Kronieken 21

Lees 2 Kronieken 21 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Josafat sterft, en zijn zoon Joram regeert, vers 1 enz. die zijn broers vermoordt, 2. zijn goddeloze regering, 5. De Edomieten en Libna vallen van hem af, 8. en overeenkomstig een geschrift van Elia, 12. wordt hij door de Filistijnen en Arabieren gekweld, die zijn huis plunderen, en zijn zonen en vrouwen wegnemen, 16. Daarbij wordt hij met een ongeneeslijke ziekte geplaagd, waaraan hij sterft, 18. en hij wordt begraven zonder de gewone eer, 19.

1Daarna ontsliep Josafat met zijn vaders, en werd begraven bij zijn vaders in de stad van David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.

2En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.

3En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostbaarheden, met versterkte steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was.

4Als Joram tot het koninkrijk van zijn vader opgekomen was, en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broers met het zwaard, en ook enige van de vorsten van Israël.

5Twee en dertig jaar was Joram oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.

6En hij wandelde in de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed; want hij had de dochter van Achab tot een vrouw; en hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH.

7Maar JAHWEH wilde het huis van David niet verderven, omwille van het verbond, dat Hij met David gemaakt had; en zoals Hij gezegd had, hem en zijn zonen altijd een lamp te zullen geven.

8In zijn dagen vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, en zij maakten over zich een koning.

9Daarom trok Joram voort met zijn oversten, en al de wagens met hem; en hij maakte zich in de nacht op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, en de oversten van de wagens.

10Evenwel vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, tot op deze dag; toen in die tijd viel Libna af, van onder zijn gebied, want hij had JAHWEH, de God van zijn vaders, verlaten.

11Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda; en hij deed de inwoners van Jeruzalem ontucht plegen, ja, hij dreef Juda daartoe.

12Zo kwam een schrift tot hem van de profeet Elia, zeggende: Zo zegt JAHWEH, de God van uw vader David: Omdat u in de wegen van uw vader Josafat, en in de wegen van Asa, de koning van Juda, niet gewandeld hebt;

13Maar hebt gewandeld in de weg van de koningen van Israël, en hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen ontucht plegen, achtervolgens het ontucht plegen van het huis van Achab; en ook uw broers, uit het huis van uw vader, gedood hebt, die beter waren dan u;

14Zie, JAHWEH zal u plagen met een grote plaag aan uw volk, en aan uw kinderen, en aan uw vrouwen, en aan al uw bezittingen.

15U zult ook in grote ziekten zijn, door de ziekte van uw ingewanden, totdat uw ingewanden uitgaan vanwege de ziekte, jaar op jaar.

16Zo verwekte JAHWEH tegen Joram de geest van de Filistijnen en van de Arabieren, die aan de zijde van de Moren zijn.

17Die trokken op in Juda, en braken daarin, en voerden alle bezittingen weg, die in het huis van de koning gevonden werden, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Joahaz, de kleinste van zijn zonen.

18En na dit alles plaagde hem JAHWEH in zijn binnenste met een ziekte, daar geen genezen aan was.

19Dit gebeurde van jaar tot jaar, zodat, wanneer de tijd van het einde van de twee jaren uitging, zijn ingewanden met de ziekte uitgingen, dat hij stierf van boze ziekten; en zijn volk maakte hem geen vuur, als het vuur van zijn vaders.

20Hij was twee en dertig jaar oud, als hij koning werd, en regeerde acht jaren te Jeruzalem; en hij ging heen zonder begeerd te zijn; en zij begroeven hem in de stad van David, maar niet in de graven van de koningen.