2 Kronieken 23
Lees 2 Kronieken 23 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Joas, zeven jaar oud zijnde, wordt door de beschikking van Jojada koning, vers 1 enz. Athalia wordt gedood, 12. Het verbond tussen de HEERE en de koning met zijn volk wordt vernieuwd, 16. de afgoderij geweerd, 17. de kerkelijke orde hersteld, 18. en de koning met vreugde in zijn huis gebracht, 20.
1Maar in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten van de honderden, Azarja, de zoon van Jeroham en Ismaël, de zoon van Johanan, en Azarja, de zoon van Obed, en Maaseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, met zich in een verbond.
2Die trokken om in Juda, en verzamelden de Levieten uit alle steden van Juda, en de familiehoofden van Israël, en zij kwamen naar Jeruzalem.
3En die hele gemeente maakte een verbond in het huis van God, met de koning; en hij zei tot hen: Zie, de zoon van de koning zal koning zijn, zoals JAHWEH van de zonen van David gesproken heeft.
4Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, van de priesters en van de Levieten, zullen tot poortwachters van de dorpelen zijn;
5En een derde deel zal zijn aan het huis van de koning; en een derde deel aan de Fundamentpoort; en al het volk zal in de voorhoven zijn van het huis van JAHWEH.
6Maar dat niemand kome in het huis van JAHWEH, dan de priesters en de Levieten, die dienen; die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht van JAHWEH waarnemen.
7De Levieten nu zullen de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand; en die tot het huis inkomt, zal gedood worden; maar wees u bij de koning, als hij inkomt en uitgaat.
8En de Levieten en geheel Juda deden naar alles, wat de priester Jojada geboden had; en zij namen een ieder zijn mannen, die op de sabbat inkwamen, met degenen, die op de sabbat uitgingen; want de priester Jojada had aan de verdelingen geen verlof gegeven.
9Verder gaf de priester Jojada aan de oversten van de honderden de speren, en de grote schilden, en de schilden, die van de koning David geweest waren, die in het huis van God waren.
10En hij stelde al het volk, en een ieder met zijn geweer in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar, en naar het huis, bij de koning rondom.
11Toen brachten zij de zoon van de koning voor, en zetten hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en zij maakten hem koning; en Jojada en zijn zonen zalfden hem, en zeiden: De koning leve!
12Toen nu Athalia hoorde de stem van het volk, dat toeliep en de koning roemde, kwam zij tot het volk in het huis van JAHWEH.
13En zij zag toe; en ziet, de koning stond bij zijn pilaar, aan de ingang; en de oversten en de trompetten waren bij de koning; en al het volk van het land was blij, en blies met de trompetten; en de zangers waren er met muzikale instrumenten, en gaven te kennen, dat men lofzingen zou; toen verscheurde Athalia haar kleren, en zij riep: Verraad, verraad!
14Maar de priester Jojada bracht de oversten van de honderden, die over het leger gesteld waren, uit, en zei tot hen: Breng ze uit tot buiten de ordeningen, en die haar volgt, zal met het zwaard gedood worden; want de priester had gezegd: U zult ze in het huis van JAHWEH niet doden.
15En zij legden de handen aan haar, en zij ging naar de ingang van de Paardenpoort, naar het huis van de koning; en zij doodden ze daar.
16En Jojada maakte een verbond tussen Hem, en tussen al het volk, en tussen de koning, dat zij JAHWEH tot een volk zouden zijn.
17Daarna ging al het volk in het huis van Baäl, en braken dat af; en zijn altaren en zijn beelden verbraken zij, en Matthan, de priester van Baäl, sloegen zij dood voor de altaren.
18Jojada nu bestelde de ambten in het huis van JAHWEH, onder de hand van de Levietische priesters, die David in het huis van JAHWEH afgedeeld had, om de brandoffers van JAHWEH te offeren, zoals in de wet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang, naar de instelling van David.
19En hij stelde de poortwachters aan de poorten van het huis van JAHWEH, opdat niemand, in enig ding onrein zijnde, inkwame.
20En hij nam de oversten van de honderden, en de machtigen, en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk van het land, en bracht de koning van het huis van JAHWEH af, en zij kwamen door het midden van de hoge poort in het huis van de koning; en zij zetten de koning op de troon van het koninkrijk.
21En al het volk van het land was blij, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden.