2 Kronieken 29
Lees 2 Kronieken 29 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Hizkia, een godvrezend koning, neemt zich voor de godsdienst te herstellen, vers 1 enz. verzamelt daartoe de priesters en Levieten, 4. tot wie hij met dit doel een voortreffelijke vermaning doet, 5. die zij opvolgen, 12. wat zij de koning te kennen geven, 18. die, om God te danken, vele offers offert, met lofzangen, 20. De gemeente voegt haar offers daaraan toe, 31. om deze te offeren, worden de priesters geholpen door de Levieten, die naarstiger waren geweest om zich te heiligen dan de priesters, 34.
1Jehizkia werd koning, vijf en twintig jaar oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Abia, een dochter van Zacharia.
2En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat zijn vader David gedaan had.
3Die deed in het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, de deuren van het huis van JAHWEH open, en beterde ze.
4En hij bracht de priesters en de Levieten in, en hij verzamelde ze in de Ooststraat.
5En hij zei tot hen: Hoor mij, o Levieten; heilig nu uzelf, en heiligt het huis van JAHWEH, van de God van uw vaders, en brengt de onreinheid uit van het heiligdom.
6Want onze vaders hebben overtreden, en gedaan dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, van onze God, en hebben Hem verlaten, en zij hebben hun aangezichten van de tabernakel van JAHWEH omgewend, en hebben de nek toegekeerd.
7Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan de God van Israël niet geofferd.
8Daarom is een grote toorn van JAHWEH over Juda en Jeruzalem geweest; en Hij heeft hen overgegeven ter beroering, ter verwoesting en ter aanfluiting, zoals u ziet met uw ogen.
9Want ziet, onze vaders zijn door het zwaard gevallen; daartoe onze zonen, en onze dochters, en onze vrouwen zijn daarom in gevangenis geweest.
10Nu is het in mijn hart een verbond te maken met JAHWEH, de God van Israël, opdat de hitte van Zijn toorn van ons afkere.
11Mijn zonen, weest nu niet traag; want JAHWEH heeft u gekozen, dat u voor Zijn aangezicht staan zou, om Hem te dienen; en opdat u Hem dienaren en wierokers zou wezen.
12Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amasai, en Joël, de zoon van Azarja, van de kinderen van de Kahathieten; en van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehaleël; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah;
13En van de kinderen van Elizafan, Simri en Jeiël; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja;
14En van de kinderen van Heman, Jehiël en Simeï; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en Uzziël.
15En zij verzamelden hun broers, en heiligden zich, en kwamen, naar het gebod van de koning, door de woorden van JAHWEH, om het huis van JAHWEH te reinigen.
16Maar de priesters gingen binnen in het huis van JAHWEH, om dat te reinigen, en zij brachten uit in het voorhof van het huis van JAHWEH al de onreinheid, die zij in de tempel van JAHWEH vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de beek Kidron.
17Zij begonnen nu te heiligen op de eerste van de eerste maand, en op de achtste dag van de maand kwamen zij in het voorhuis van JAHWEH, en heiligden het huis van JAHWEH in acht dagen; en op de zestiende dag van de eerste maand maakten zij een einde.
18Daarna kwamen zij binnen tot de koning Hizkia, en zeiden: Wij hebben het hele huis van JAHWEH gereinigd, en ook het brandofferaltaar met al zijn gereedschap, en de tafel van de toerichting met al haar gereedschap.
19Alle gereedschap ook, dat de koning Achaz, onder zijn koninkrijk, door zijn overtreding weggeworpen had, hebben wij bereid en geheiligd; en zie, zij zijn voor het altaar van JAHWEH.
20Toen maakte zich de koning Jehizkia vroeg op, en verzamelde de oversten van de stad, en hij ging op in het huis van JAHWEH.
21En zij brachten zeven stieren, en zeven rammen, en zeven lammeren, en zeven geitenbokken als zondoffer voor het koninkrijk, en voor het heiligdom, en voor Juda; en hij zei tot de zonen van Aäron, de priesters, dat zij die op het altaar van JAHWEH zouden offeren.
22Zo slachtten zij de runderen, en de priesters ontvingen het bloed, en sprengden het op het altaar; zij slachtten ook de rammen, en sprengden het bloed op het altaar; ook slachtten zij de lammeren, en sprengden het bloed op het altaar.
23Daarna brachten zij de bokken bij, als zondoffer, voor het aangezicht van de koning en van de gemeente, en zij legden hun handen daarop.
24En de priesters slachtten ze, en ontzondigden met hun bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het hele Israël; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor geheel Israël bevolen.
25En hij stelde de Levieten in het huis van JAHWEH, met cimbalen, met luiten en harpen, naar het gebod van David, en van Gad, de ziener van de koning, en van Nathan, de profeet; want dit gebod was van de hand van JAHWEH, door de hand van Zijn profeten.
26De Levieten nu stonden met de instrumenten van David, en de priesters met de trompetten.
27En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang van JAHWEH met de trompetten en met de instrumenten van David, de koning van Israël.
28De hele gemeente nu boog zich neer, als men het gezang zong, en met trompetten trompette; dit alles totdat het brandoffer voltooid was.
29Als men nu geëindigd had te offeren, bukten de koning en allen, die bij hem gevonden waren, en bogen zich neer.
30Daarna zei de koning Jehizkia, en de oversten, tot de Levieten, dat zij JAHWEH loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, de ziener; en zij loofden tot blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neer.
31En Jehizkia antwoordde en zei: Nu hebt u uw handen voor JAHWEH gevuld, treedt toe, en brengt slachtoffers en lofoffers tot het huis van JAHWEH; en de gemeente bracht slachtoffers en lofoffers en alle vrijwilligen van harte brandoffers.
32En het getal van de brandoffers, die de gemeente bracht, was zeventig runderen, honderd rammen, tweehonderd lammeren; deze alle voor JAHWEH als brandoffer.
33Nog waren van de geheiligde dingen zeshonderd runderen en drie duizend schapen.
34Maar van de priesters waren er te weinig, en zij konden al de brandoffers de huid niet aftrekken; daarom hielpen hen hun broers, de Levieten, totdat het werk geëindigd was, en totdat de andere priesters zich geheiligd hadden; want de Levieten waren rechter van hart, om zich te heiligen, dan de priesters.
35En ook waren de brandoffers in menigte, met het vet van de dankoffers, en met de drankoffers, voor de brandoffers; zo werd de dienst van het huis van JAHWEH besteld.
36Jehizkia nu en al het volk verblijdden zich over wat God het volk voorbereid had; want deze zaak gebeurde haastig.