Bijbel2 Kronieken

2 Kronieken 30

Lees 2 Kronieken 30 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Hizkia vermaant heel Israël om naar Jeruzalem te komen en het Pascha van de HEERE te houden, vers 1 enz. de vermaning wordt door velen bespot, door anderen aangenomen, die naar Jeruzalem komen, 10. waar zij de afgoderij verstoren, 14. en het Paasfeest houden, 15. Hizkia bidt God voor hen die zich tevoren niet naar behoren gereinigd hadden, 17. het feest wordt verlengd, 23. De priesters en Levieten zegenen het volk, 27.

1Daarna zond Jehizkia tot het hele Israël en Juda, en schreef ook brieven tot Efraïm en Manasse, dat zij zouden komen tot het huis van JAHWEH te Jeruzalem, om voor JAHWEH, de God van Israël, pascha te houden.

2Want de koning had raad gehouden met zijn oversten en de hele gemeente te Jeruzalem, om het pascha te houden, in de tweede maand.

3Want zij hadden het niet kunnen houden in die tijd, omdat de priesters zich niet genoeg geheiligd hadden, en het volk zich niet verzameld had te Jeruzalem.

4En deze zaak was recht in de ogen van de koning, en in de ogen van de hele gemeente.

5Zo stelden zij dat, dat men een stem door geheel Israël, van Ber-seba tot Dan, zou laten doorgaan, opdat zij zouden komen om het pascha voor JAHWEH, de God van Israël, te houden in Jeruzalem; want zij hadden het in lang niet gehouden, zoals het geschreven was.

6De lopers dan gingen heen met de brieven van de hand van de koning en van zijn vorsten, door geheel Israël en Juda, en naar het gebod van de koning, zeggende: U, Israëlieten, bekeert u tot JAHWEH, de God van Abraham, Izak en Israël, zo zal Hij Zich keren tot de ontkomenen, die u overgebleven zijn uit de hand van de koningen van Assyrië.

7En weest niet als uw vaders en als uw broers, die tegen JAHWEH, de God van hun vaders, overtreden hebben; waarom Hij hen tot verwoesting overgegeven heeft, zoals u ziet.

8Verhard nu uw nek niet, zoals uw vaders; geef JAHWEH de hand, en komt tot Zijn heiligdom, dat Hij geheiligd heeft tot in eeuwigheid, en dient JAHWEH, uw God; zo zal de hitte van Zijn toorn van u afkeren.

9Want als u zich bekeert tot JAHWEH, zullen uw broers en uw kinderen barmhartigheid vinden voor het aangezicht van degenen, die hen gevangen hebben, zodat zij in dit land zullen terugkomen; want JAHWEH, uw God, is genadig en barmhartig, en zal het aangezicht van u niet afwenden, zo u zich tot Hem bekeert.

10Zo gingen de lopers door, van stad tot stad, door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe; maar zij belachten hen, en bespotten hen.

11Evenwel verootmoedigden zich sommigen van Aser, en Manasse, en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem.

12Ook was de hand van God in Juda, hun dezelfde hart gevende, dat zij het gebod van de koning en van de vorsten deden, naar het woord van JAHWEH.

13En te Jeruzalem verzamelde zich veel volk, om het feest van de ongezuurde broden te houden, in de tweede maand, een zeer grote gemeente.

14En zij maakten zich op, en namen de altaren weg, die te Jeruzalem waren; daartoe namen zij alle rooktuig weg, dat zij in de beek Kidron wierpen.

15Toen slachtten zij het pascha, op de veertiende van de tweede maand; en de priesters en de Levieten waren beschaamd geworden, en hadden zich geheiligd, en hadden brandoffers gebracht in het huis van JAHWEH.

16En zij stonden in hun stand, naar hun wijze, naar de wet van Mozes, de man van God; de priesters sprengden het bloed, dat nemende uit de hand van de Levieten.

17Want een menigte was in die gemeente, die zich niet geheiligd hadden; daarom waren de Levieten over de slachting van de paaslammeren, voor iedereen, die niet rein was, om die voor JAHWEH te heiligen.

18Want een menigte van het volk, velen van Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet zoals geschreven is. Maar Jehizkia bad voor hen, zeggende: JAHWEH, die goed is, make verzoening voor die.

19Die zijn hele hart gericht heeft, om God JAHWEH, de God van zijn vaders, te zoeken, hoewel niet naar de reinigheid van het heiligdom.

20En JAHWEH verhoorde Jehizkia, en heelde het volk.

21Zo hielden de Israëlieten, die te Jeruzalem gevonden werden, het feest van de ongezuurde broden, zeven dagen, met grote blijdschap. De Levieten nu en de priesters prezen JAHWEH, dag op dag, met sterk luidende instrumenten van JAHWEH.

22En Jehizkia sprak naar het hart van alle Levieten, die verstand hadden in de goede kennis van JAHWEH; en zij aten de offergaven van de vastgestelde hoogtijd zeven dagen, offerende dankoffers, en lovende JAHWEH, de God van hun vaders.

23Als nu de hele gemeente raad gehouden had, om andere zeven dagen te houden, hielden zij nog zeven dagen met blijdschap.

24Want Jehizkia, de koning van Juda, gaf de gemeente duizend stieren en zeven duizend schapen; en de vorsten gaven de gemeente duizend stieren en tien duizend schapen; de priesters nu hadden zich in menigte geheiligd.

25En de hele gemeente van Juda verblijdde zich, en ook de priesters en de Levieten, en de hele gemeente van degenen, die uit Israël gekomen waren; ook de vreemdelingen, die uit het land van Israël gekomen waren, en die in Juda woonden.

26Zo was er grote blijdschap te Jeruzalem; want van de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, was zoiets in Jeruzalem niet geweest.

27Toen stonden de Levietische priesters op, en zegenden het volk; en hun stem werd gehoord; want hun gebed kwam tot Zijn heilige woning in de hemel.