2 Kronieken 32
Lees 2 Kronieken 32 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Doordat Sanherib, de koning van Assyrië, Juda binnenvalt, versterkt Hizkia de stad Jeruzalem, vers 1 enz. troost en vermaant het volk, 7. Sanherib tart Hizkia en lastert God, 9. Hizkia en de profeet Jesaja roepen de HEERE aan, 20. De Assyriërs worden door een engel verslagen, 21. Hizkia wordt ziek, 24. en doordat hij genezen is, vertoornt hij God, maar met daaropvolgend berouw, 25. hij blijft gezegend, 27. vergrijpt zich door te onderhandelen met de gezanten van Babel, 31. hij sterft, en zijn zoon Manasse wordt koning, 33.
1Na deze geschiedenissen en de bevestiging daarvan, kwam Sanherib, de koning van Assyrië, en trok in Juda, en sloeg zijn kamp op tegen de versterkte steden, en dacht ze tot zich af te scheuren.
2Jehizkia nu ziende, dat Sanherib kwam, en zijn aangezicht was tot de oorlog tegen Jeruzalem;
3Zo hield hij raad met zijn vorsten en zijn helden, om de fonteinwateren te stoppen, die buiten de stad waren; en zij hielpen hem.
4Want veel volk werd verzameld, dat al de fonteinen stopte, en ook de beek, die door het midden van het land henenvloeide, zeggende: Waarom zouden de koningen van Assyrië komen, en veel water vinden?
5Zo versterkte hij zich, en bouwde de hele muur op, die gebroken was, die hij optrok tot aan de torens, met een andere muur daarbuiten, en hij versterkte Millo in de stad van David; en hij maakte geweer en schilden in menigte.
6En hij stelde oorlogsoversten over het volk, en hij verzamelde hen tot zich in de straat van de stadspoort, en sprak naar hun hart, zeggende:
7Weest sterk, en hebt een goede moed, vreest niet, en ontzet u niet, voor het aangezicht van de koning van Assyrië, noch voor het aangezicht van de hele menigte, die met hem is; want met ons is er meer, dan met hem.
8Met hem is een vleselijke arm, maar met ons is JAHWEH, onze God, om ons te helpen, en om onze krijgen te krijgen. En het volk steunde op de woorden van Jehizkia, de koning van Juda.
9Na deze zond Sanherib, de koning van Assyrië, zijn knechten naar Jeruzalem, (maar hij zelf was voor Lachis, en al zijn heerschappij met hem) tot Jehizkia, de koning van Juda, en tot het hele Juda, dat te Jeruzalem was, zeggende:
10Zo zegt Sanherib, de koning van Assyrië: Waarom vertrouwt u, dat u te Jeruzalem blijft in de vesting?
11Ruit u Jehizkia niet op, dat hij u overgeve, om door honger en door dorst te sterven, zeggende: JAHWEH, onze God, zal ons uit de hand van de koning van Assyrië redden?
12Heeft niet dezelfde Jehizkia Zijn hoogten en Zijn altaren weggenomen, en tot Juda en tot Jeruzalem gesproken, zeggende: Voor het enige altaar zult u zich nederbuigen, en daarop roken?
13Weet u niet, wat ik gedaan heb, en mijn vaders aan alle volken van de landen? Hebben de goden van de natiën van die landen hun land enigszins kunnen redden uit mijn hand?
14Wie is er onder alle goden van die natiën, die mijn vaders verbannen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijn hand, dat uw God u uit mijn hand zou kunnen redden?
15Nu dan, dat Jehizkia u niet bedriege, en dat hij u op zulk een wijze niet opruie, en gelooft hem niet; want geen god van enige natie en koninkrijk heeft zijn volk uit mijn hand en uit de hand van mijn vaders kunnen redden; hoeveel te min zal uw God u uit mijn hand kunnen redden?
16Daartoe spraken zijn knechten nog meer tegen God, JAHWEH, en tegen Zijn knecht Jehizkia.
17Ook schreef hij brieven, om JAHWEH de God van Israël, te honen en om tegen Hem te spreken, zeggende: Zoals de goden van de natiën van de landen, die hun volk uit mijn hand niet gered hebben, zo zal de God van Jehizkia Zijn volk uit mijn hand niet redden.
18En zij riepen met luide stem, in het Joods, tegen het volk van Jeruzalem, dat op de muur was, om die bevreesd te maken en die te beroeren, opdat zij de stad mochten innemen.
19En zij spraken van de God van Jeruzalem, als van de goden van de volkeren van de aarde, een werk van mensenhanden.
20Maar de koning Jehizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, baden daartegen, en zij riepen naar de hemel.
21En JAHWEH zond een engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten in het leger van de koning van Assyrië vernietigde. Zo is hij met schaamte van het aangezicht in zijn land teruggekeerd; en als hij in het huis van zijn god ingegaan was, zo velden hem daar met het zwaard, die uit zijn lijf voortgekomen waren.
22Zo verloste JAHWEH Jehizkia en de inwoners van Jeruzalem, uit de hand van Sanherib, de koning van Assyrië, en uit de hand van allen; en Hij geleidde hen rondom heen.
23En velen brachten geschenken tot JAHWEH te Jeruzalem, en kostbaarheden tot Jehizkia, de koning van Juda, zodat hij daarna voor de ogen van alle heidenen verheven werd.
24In die dagen werd Jehizkia ziek tot stervens toe, en hij bad tot JAHWEH, Die sprak tot hem, en Hij gaf hem een wonderteken.
25Maar Jehizkia deed geen vergelding, naar de weldaad aan hem gebeurd, omdat zijn hart verheven werd; daarom werd over hem, en over Juda en Jeruzalem, een grote boosheid.
26Maar Jehizkia verootmoedigde zich om de verheffing van zijn hart, hij en de inwoners van Jeruzalem, zodat de grote boosheid van JAHWEH over hen niet kwam in de dagen van Jehizkia.
27Jehizkia nu had zeer veel rijkdom en eer; en hij maakte zich schatkameren voor zilver en voor goud, en voor kostelijk gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor alle begeerlijk gereedschap;
28Ook schathuizen voor de inkomsten van koren, en nieuwe wijn, en olie; en stallen voor allerlei beesten, en kooien voor de kudden.
29Daartoe had hij zich steden gemaakt, en ook bezitting van schapen en runderen in menigte; want God gaf hem zeer grote bezittingen.
30Maar Jehizkia stopte ook de opperuitgang van de wateren van Gihon, en leidde ze recht af beneden naar het westen van de stad van David; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk.
31Maar het is zo, als de gezanten van de vorsten van Babel, die tot hem gezonden hadden, om te vragen naar dat wonderteken, dat in het land gebeurd was, bij hem waren, verliet hem God, om hem te verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was.
32Het overige nu van de geschiedenissen van Jehizkia, en zijn goeddadigheden, ziet, die zijn geschreven in het visioen van de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, en in het boek van de koningen van Juda en Israël.
33En Jehizkia ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in het hoogste van de graven van de zonen van David; daartoe deden geheel Juda en de inwoners van Jeruzalem hem eer aan in zijn dood; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.