Bijbel2 Kronieken

2 Kronieken 33

Lees 2 Kronieken 33 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Manasse is een gruwelijk afgodendienaar, vers 1 enz. daarom dreigt en straft God hem, zodat hij gevankelijk naar Babel weggevoerd wordt, 10. Daar bekeert hij zich, zodat hij weer in zijn rijk hersteld wordt, 12. wat hij daarna gedaan heeft, 14. hij sterft, 20. zijn zoon Amon is een goddeloos koning na hem, 21. wordt door zijn knechten vermoord, 24. Josia, zijn zoon, komt in zijn plaats, 26.

1Manasse was twaalf jaar oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem.

2En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, naar de gruwelijke dingen van de heidenen, die JAHWEH voor het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had.

3Want hij bouwde de hoogten weer op, die zijn vader Jehizkia afgebroken had, en richtte voor de Baäls altaren op, en maakte bossen, en boog zich neer voor al het leger van de hemel, en diende ze;

4En bouwde altaren in het huis van JAHWEH, waarvan JAHWEH gezegd had: Te Jeruzalem zal Mijn Naam zijn tot in eeuwigheid.

5Daartoe bouwde hij altaren voor al het leger van de hemel, in beide de voorhoven van het huis van JAHWEH.

6En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal van de zoon van Hinnom, en pleegde bezwering, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen van JAHWEH, om Hem tot toorn te verwekken.

7Hij stelde ook de gelijkenis van een gesneden beeld, die hij gemaakt had, in het huis van God, waarvan God gezegd had tot David en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en te Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn Naam zetten tot in eeuwigheid.

8En Ik zal de voet van Israël niet meer doen wijken van het land, dat Ik uw vaders besteld heb; alleen zo zij waarnemen te doen, al wat Ik hun geboden heb, naar de hele wet, en voorschriften, en rechten, door de hand van Mozes.

9Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die JAHWEH voor het aangezicht van de Israëlieten vernietigd had.

10JAHWEH sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op.

11Daarom bracht JAHWEH over hen de oorlogsoversten, die de koning van Assyrië had, die Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.

12En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht van JAHWEH, van zijn God, ernstig aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God van zijn vaders,

13En bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weer te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat God JAHWEH is.

14En na deze bouwde hij de buitenmuur aan de stad van David, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot de ingang van de Vispoort, en omsingelde Ofel, en verhief die zeer; hij legde ook krijgsoversten in alle versterkte steden in Juda.

15En hij nam de vreemde goden en die gelijkenis uit het huis van JAHWEH weg, en ook al de altaren, die hij gebouwd had op de berg van het huis van JAHWEH, en te Jeruzalem; en hij wierp ze buiten de stad.

16En hij richtte het altaar van JAHWEH toe, en offerde daarop dankoffers en lofoffers, en zei tot Juda, dat zij JAHWEH, de God van Israël, dienen zouden.

17Maar het volk offerde nog op de hoogten, hoewel aan JAHWEH, hun God.

18Het overige nu van de geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, ook de woorden van de zieners, die tot hem gesproken hebben in de Naam van JAHWEH, de God van Israël, ziet, die zijn in de geschiedenissen van de koningen van Israël;

19En zijn gebed, en hoe God Zich van hem heeft laten verbidden, ook al zijn zonde, en zijn overtreding, en de plaatsen, waarop hij hoogten gebouwd, en bossen en gesneden beelden gesteld heeft, voordat hij vernederd werd, ziet, dat is beschreven in de woorden van de zieners.

20En Manasse ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.

21Amon was twee en twintig jaar oud, als hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem.

22En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, zoals zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al de gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze.

23Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht van JAHWEH, zoals Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld.

24En zijn knechten maakten een samenzwering tegen hem, en doodden hem in zijn huis.

25Maar het volk van het land sloeg hen allen, die de samenzwering tegen de koning Amon gemaakt hadden; en het volk van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.