Bijbel2 Kronieken

2 Kronieken 35

Lees 2 Kronieken 35 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Josia, die de godsdienst op orde stelt, houdt het Paasfeest met grote plechtigheid, vers 1 enz. begint een onnodige strijd tegen Farao Necho, 20. waarin hij dodelijk gewond wordt, en sterft, 23. hij wordt zeer beklaagd, 24. het besluit van zijn geschiedenis, 26.

1Daarna hield Josia het pascha voor JAHWEH te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op de veertiende van de eerste maand.

2En hij stelde de priesters op hun wachten; en hij sterkte hen tot de dienst van het huis van JAHWEH.

3En hij zei tot de Levieten, die geheel Israël onderwezen, die voor JAHWEH heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft; u hebt geen last op de schouders; dient nu JAHWEH, uw God, en Zijn volk Israël;

4En bereidt u naar de huizen van uw vaders, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, de koning van Israël, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo;

5En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding van de vaderlijke huizen, voor uw broers, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen van de Levieten;

6En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broers, doende naar het woord van JAHWEH, door de hand van Mozes.

7En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasoffers, naar al wat er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van de bezittingen van de koning.

8Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesters, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiël, de oversten van het huis van God, gaven de priesters tot paasoffers, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen.

9Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneël, zijn broers, en ook Hasabja, en Jeiël, en Jozabad, de oversten van de Levieten, gaven de Levieten tot paasoffers, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen.

10Zo werd de dienst toebereid; en de priesters stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod van de koning.

11Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af.

12En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de verdelingen van de vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om aan JAHWEH te offeren, zoals geschreven is in het boek van Mozes; en zo met de runderen.

13En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastig onder al het volk.

14Daarna bereidden zij ook voor zichzelf en voor de priesters; want de priesters, de zonen van Aäron, waren tot aan de nacht in het offeren van de brandoffers en van het vet; daarom bereidden de Levieten voor zichzelf, en voor de priesters, de zonen van Aäron.

15En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, de ziener van de koning, en ook de poortwachters aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, omdat hun broers, de Levieten, voor hen bereidden.

16Zo werd de hele dienst van JAHWEH op deze dag beschikt, om pascha te houden, en brandoffers op het altaar van JAHWEH te offeren, naar het gebod van de koning Josia.

17En de Israëlieten, die er gevonden werden, hielden het pascha in die tijd, en het feest van de ongezuurde broden, zeven dagen.

18Daar was ook geen pascha als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuël, de profeet, af; en geen koningen van Israël hadden zulk een pascha gehouden, zoals dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en geheel Juda en Israël, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.

19In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, werd dit pascha gehouden.

20Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, trok Necho, de koning van Egypte, op, om te strijden tegen Karchemis, aan de Frath; en Josia trok uit hem tegemoet.

21Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, u, koning van Juda? Wat u betreft, ik ben vandaag tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.

22Maar Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit de mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo.

23En de schutters schoten de koning Josia. Toen zei de koning tot zijn knechten: Voer mij weg, want ik ben zeer gewond.

24En zijn knechten namen hem weg van de wagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven van zijn vaders; en geheel Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.

25En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; evenzo alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op deze dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israël; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.

26Het overige nu van de geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet van JAHWEH;

27Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël en van Juda.