Bijbel2 Kronieken

2 Kronieken 6

Lees 2 Kronieken 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Salomo, die het teken van de goddelijke tegenwoordigheid in de tempel ziet, looft en dankt de HEERE dat Hij zijn belofte aan zijn vader David gedaan, vervuld had, 4. Doet een heerlijk gebed, waarin hij het rechte gebruik van de tempel toont, 12.

1Toen zei Salomo: JAHWEH heeft gezegd, dat Hij in de donkerheid zou wonen.

2En ik heb U een huis ter woonstede gebouwd, en een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.

3Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de hele gemeente van Israël; en de hele gemeente van Israël stond.

4En hij zei: Geloofd zij JAHWEH, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn handen vervuld, zeggende:

5Van die dag af, dat Ik Mijn volk uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en geen man gekozen om een voorganger te zijn over Mijn volk Israël.

6Maar Ik heb Jeruzalem gekozen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou.

7Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis te bouwen voor de Naam van JAHWEH, van de God van Israël.

8Maar JAHWEH zei tot mijn vader David: Omdat dat in uw hart geweest is, Mijn Naam een huis te bouwen, u hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is.

9Evenwel, u zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon, die uit uw middel voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.

10Zo heeft JAHWEH Zijn woord bevestigd, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op de troon van Israël, zoals JAHWEH gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd voor de Naam van JAHWEH, van de God van Israël.

11En ik heb daar de ark gesteld, waarin het verbond van JAHWEH is, dat Hij maakte met de Israëlieten.

12En hij stond voor het altaar van JAHWEH, tegenover de hele gemeente van Israël; en hij breidde zijn handen uit;

13(Want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden van de voorhof; zijnde vijf ellen in zijn lengte en vijf ellen in zijn breedte, en drie ellen in zijn hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijn knieën voor de hele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel).

14En hij zei: JAHWEH, God van Israël, er is geen God zoals U, in de hemel noch op de aarde, houdende het verbond en de goedertierenheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun hele hart wandelen;

15Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat U tot hem gesproken had; want met Uw mond hebt U gesproken, en met Uw hand vervuld, zoals het te deze dage is.

16En nu, JAHWEH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die zitte op de troon van Israël; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen in Mijn wet, zoals u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.

17Nu dan, o JAHWEH, God van Israël! Laat Uw woord waar worden, dat U gesproken hebt tot Uw knecht, tot David.

18Maar werkelijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen? Zie de hemelen, ja, de hemel van de hemelen, zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb?

19Wend U dan nog tot het gebed van Uw knecht, en tot zijn smeking, o JAHWEH, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht voor Uw aangezicht bidt.

20Dat Uw ogen open zijn, dag en nacht, over dit huis, over de plaats, waarvan U gezegd hebt, Uw Naam daar te zullen zetten; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats.

21Hoor dan naar de smekingen van Uw knecht, en van Uw volk Israël, die in deze plaats zullen bidden; en hoor U uit de plaats van Uw woning, uit de hemel, ja, hoor, en vergeef.

22Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en die hem een eed van de vloek opgelegd zal hebben, om zichzelf te vervloeken, en de eed van de vloek voor Uw altaar in dit huis komen zal;

23Hoor U dan uit de hemel, en doe, en richt Uw knechten, vergeldende de goddeloze, door zijn weg op zijn hoofd te geven, en rechtvaardigende de rechtvaardige, door hem naar zijn gerechtigheid te geven.

24Wanneer ook Uw volk Israël voor het aangezicht van de vijand zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich bekeren, en Uw Naam belijden, en voor Uw aangezicht in dit huis bidden en smeken zullen,

25Hoor U dan uit de hemel, en vergeef de zonden van Uw volk Israël, en breng hen weer in het land, dat U hun en hun vaders gegeven hebt.

26Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als U hen geplaagd zult hebben;

27Hoor U dan in de hemel, en vergeef de zonden van Uw knechten en van Uw volk Israël, als U hun zult geleerd hebben de goede weg, waarin zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat U Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.

28Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren of honigdauw, sprinkhanen en kevers wezen zullen, als iemand van zijn vijanden in het land van zijn poorten hem belegeren zal, of enige plaag, of enige ziekte wezen zal;

29Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, of van al Uw volk Israël gebeuren zal, als zij erkennen, een ieder zijn plaag en zijn smarte, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal;

30Hoor U dan uit de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en geef ieder naar al zijn wegen, zoals U zijn hart kent; want U alleen kent het hart van de kinderen van de mensen.

31Opdat zij U vrezen, om te wandelen in Uw wegen, al de dagen, die zij leven zullen op het land, dat U onze vaders gegeven hebt.

32Zelfs ook voor wat betreft de vreemde, die van Uw volk Israël niet zijn zal, maar uit ver land, omwille van Uw grote Naam, en van Uw sterke hand, en van Uw uitgestrekte arm, komen zal; als zij komen, en bidden zullen in dit huis;

33Hoor U dan uit de hemel, uit de vaste plaats van Uw woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken van de aarde Uw Naam kennen, zo om U te vrezen, zoals Uw volk Israël, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, dat ik gebouwd heb.

34Wanneer Uw volk in de oorlog tegen zijn vijanden uittrekken zal door de weg, die U hen heenzenden zult, en zullen tot U bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;

35Hoor dan uit de hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit.

36Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen als gevangene wegvoeren in een land, dat verre of nabij is;

37En zij in het land, waar zij als gevangene weggevoerd zijn, weer aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land van hun gevangenis, zeggende: Wij hebben gezondigd, verkeerd gedaan, en goddeloos gehandeld;

38En zij zich tot U bekeren, met hun hele hart en met hun hele ziel, in het land van hun gevangenis, waar zij hen als gevangene weggevoerd hebben, en bidden zullen naar de weg van hun land, dat U hun vaders gegeven hebt, en naar deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;

39Hoor dan uit de hemel, uit de vaste plaats van Uw woning, hun gebed en hun smekingen, en voer hun recht uit, en vergeef Uw volk, wat zij tegen U gezondigd zullen hebben.

40Nu, mijn God, laat toch Uw ogen open en Uw oren opmerkende zijn tot het gebed van deze plaats.

41En nu, JAHWEH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark van Uw kracht; laat Uw priesters, JAHWEH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn.

42O JAHWEH God! wend het aangezicht van Uw gezalfde niet af; gedenk aan de goedertierenheden van David, Uw knecht.