Bijbel2 Kronieken

2 Kronieken 7

Lees 2 Kronieken 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Het vuur valt uit de hemel, verteert de offers, en de heerlijkheid van de HEERE vervult de tempel, vers 1 enz. Beschrijving van de plechtigheden waarmee Salomo de tempel inwijdde, 4. Het Loofhuttenfeest wordt gehouden, 8. De HEERE verschijnt aan Salomo, 12. belooft hem zijn gunst, op voorwaarde van gehoorzaamheid, 17. Anders dreigt Hij met zware straffen, 19.

1Als nu Salomo voltooid had te bidden, zo daalde het vuur van de hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtoffers; en de heerlijkheid van JAHWEH vervulde het huis.

2En de priesters konden niet ingaan in het huis van JAHWEH; want de heerlijkheid van JAHWEH had het huis van JAHWEH vervuld.

3En als al de Israëlieten dat vuur zagen afdalen, en de heerlijkheid van JAHWEH over het huis, zo bukten zij met hun aangezichten ter aarde op de vloer, en aanbaden en loofden JAHWEH, dat Hij goedig is, dat Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

4De koning nu en al het volk offerden slachtoffers voor het aangezicht van JAHWEH.

5En de koning Salomo offerde slachtoffers van runderen, twee en twintig duizend, en van schapen, honderd en twintig duizend. Zo hebben de koning en het hele volk het huis van God ingewijd.

6Ook stonden de priesters in hun wachten, en de Levieten met de muzikale instrumenten van JAHWEH, die de koning David gemaakt had, om JAHWEH te loven, dat Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid, als David door hun dienst Hem prees; en de priesters trompetten tegen hen over, en geheel Israël stond.

7En Salomo heiligde het middelste van de voorhof, dat voor het huis van JAHWEH was, omdat hij daar de brandoffers en het vette van de dankoffers bereid had; want het koperen altaar, dat Salomo gemaakt had, kon het brandoffer, en het voedseloffer, en het vette niet vatten.

8Salomo hield ook in die tijd het feest zeven dagen, en geheel Israël met hem, een zeer grote gemeente, van de ingang af van Hamath, tot de rivier van Egypte.

9En op de achtste dag hielden zij een verbodsdag; want zij hielden de inwijding van het altaar zeven dagen, en het feest zeven dagen.

10Maar op de drie en twintigste dag van de zevende maand liet hij het volk gaan tot hun hutten, blij en goedsmoeds over het goede, dat JAHWEH aan David en Salomo, en Zijn volk Israël gedaan had.

11Zo volbracht Salomo het huis van JAHWEH, en het huis van de koning; en al wat in Salomo's hart gekomen was, om in het huis van JAHWEH en in zijn huis te maken, richtte hij voorspoedig uit.

12En JAHWEH verscheen Salomo in de nacht, en Hij zei tot hem: Ik heb uw gebed verhoord, en heb Mij deze plaats gekozen tot een offerhuis.

13Zo Ik de hemel toesluite, dat er geen regen zij, of zo Ik de sprinkhaan gebiede, het land te verteren, of zo Ik pest onder Mijn volk zend;

14En Mijn volk, over wie Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen; zo zal Ik uit de hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land genezen.

15Nu zullen Mijn ogen open zijn, en Mijn oren opmerkende op het gebed van deze plaats.

16Want Ik heb nu dit huis gekozen en geheiligd, opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar altijd zijn.

17En wat u betreft, zo u voor Mijn aangezicht wandelen zult, zoals uw vader David gewandeld heeft, en doen naar alles, wat Ik u geboden heb, en Mijn voorschriften en Mijn rechten houden zult;

18Zo zal Ik de troon van uw koninkrijk bevestigen, zoals Ik een verbond met uw vader David gemaakt heb, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden, die in Israël heerse.

19Maar zo u zich afkeren zult, en Mijn voorschriften en Mijn geboden, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, verlaten, en heengaan, en andere goden dienen, en u voor die nederbuigen zult;

20Zo zal Ik hen uitrukken uit Mijn land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrede onder alle volken maken.

21En dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder, die voorbijgaat, ontzetten, dat hij zal zeggen: Waarom heeft JAHWEH aan dit land en aan dit huis zo gedaan?

22En men zal zeggen: Omdat zij JAHWEH, de God van hun vaders, verlaten hebben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich daarvoor neergebogen, en hen gediend; daarom heeft Hij al dat kwaad over hen gebracht.