2 Kronieken 9
Lees 2 Kronieken 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De koningin van Scheba bezoekt Salomo, om zijn wijsheid te horen, vers 1 enz. waarover zij zich zeer verwondert, 3. en zij vereert hem met geschenken, 9. ontvangt ook geschenken van Salomo, en keert terug naar huis, 12. Salomo's goud en inkomen, 13. Zijn rondassen en schilden, 15. de ivoren troon, 17. de gouden vaten, 20. hoe hij door de naburige koningen vereerd wordt, 23. Zijn macht en rijkdom, 25. zijn regering en dood, 30.
1En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, kwam zij, om Salomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem, met een zeer zwaar leger, en kamelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak met hem al wat in haar hart was.
2En Salomo verklaarde haar al haar woorden; en geen ding was er verborgen voor Salomo, dat hij haar niet verklaarde.
3Als nu de koningin van Scheba zag de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had,
4En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en hun kledingen, en zijn opgang, waardoor hij opging in het huis van JAHWEH, zo was in haar geen geest meer.
5En zij zei tot de koning: Het is een waarachtig woord geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid.
6En ik heb hun woorden niet geloofd, voordat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft van de grootheid van uw wijsheid is mij niet aangezegd; u hebt overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb.
7Welgelukzalig zijn uw mannen, en welgelukzalig deze uw knechten, die steeds voor uw aangezicht staan, en uw wijsheid horen.
8Geloofd zij JAHWEH, uw God, Die behagen in u gehad heeft, om u op Zijn troon, voor JAHWEH, uw God, tot een koning te zetten; omdat uw God van Israël houdt, om het tot in eeuwigheid op te richten, zo heeft Hij u tot een koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.
9En zij gaf de koning honderd en twintig talenten goud, en specerijen in grote menigte, en kostelijk gesteente; en er was zoals deze specerij, die de koningin van Scheba de koning Salomo gaf, geen geweest.
10Verder ook Hurams knechten, en Salomo's knechten, die goud brachten uit Ofir, brachten algummimhout en edelgesteente.
11En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis van JAHWEH en tot het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers; zoiets was ook te voren in het land van Juda niet geweest.
12En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde, behalve wat zij tot de koning gebracht had; zo keerde zij, en trok naar haar land, zij en haar knechten.
13Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op één jaar inkwam, was zeshonderd zes en zestig talenten goud;
14Behalve dat zij van de marskramers en de kooplieden inbrachten; ook brachten alle koningen van Arabië, en de vorsten van dat land, goud en zilver aan Salomo.
15Daartoe maakte de koning Salomo tweehonderd grote schilden van geslagen goud; zeshonderd sikkels van geslagen goud liet hij opwegen tot elk groot schild.
16Ook driehonderd schilden van geslagen goud; driehonderd sikkels goud liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis van het woud van de Libanon.
17Nog maakte de koning een grote ivoren troon, en hij overtrok die met louter goud.
18En de troon had zes trappen en een voetbank van goud, aan de troon vast zijnde, en leuningen aan beide zijden, tot de zitplaats toe; en twee leeuwen stonden bij de leuningen.
19En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen; zoiets is in geen koninkrijk gemaakt geweest.
20Ook waren alle drinkvaten van de koning Salomo van goud, en alle voorwerpen van het huis van het woud van de Libanon waren van gesloten goud; het zilver was in de dagen van Salomo niet voor iets geacht.
21Want de schepen van de koning voeren naar Tharsis, met de knechten van Huram; eens in drie jaar kwamen de schepen van Tharsis in, en brachten goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.
22Zo werd de koning Salomo groter dan alle koningen van de aarde in rijkdom en wijsheid.
23En alle koningen van de aarde zochten Salomo's aangezicht, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had.
24En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren voorwerpen, en gouden voorwerpen, en kleren, harnas, en specerijen, paarden, en muilezelen, van elk van jaar tot jaar.
25Ook had Salomo vier duizend paardenstallen, en wagens, en twaalf duizend ruiteren; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem.
26En hij heerste over alle koningen, van de rivier tot aan het land van de Filistijnen, en tot aan de grens van Egypte.
27Ook maakte de koning het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.
28En zij brachten voor Salomo paarden uit Egypte, en uit al die landen.
29Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de visioenen van Jedi, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat?
30En Salomo regeerde te Jeruzalem over geheel Israël, veertig jaren.
31En Salomo ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Rehabeam werd koning in zijn plaats.