Bijbel2 Makkabeeën

2 Makkabeeën 10

Lees 2 Makkabeeën 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Judas verovert opnieuw de stad, 3 en reinigt de tempel. 6 Het volk houdt acht dagen feest over de inwijding, 8 en er wordt een besluit genomen dat feest elk jaar te houden. 10 Antiochus Eupator komt in de plaats van zijn vader Antiochus Epifanes, en stelt Lysias over zijn zaken. 12 Ptolemeüs Macron is de Joden gunstig gezind, maar komt in ongenade, en vergiftigt zichzelf. 14 Gorgias kwelt de Joden met oorlog, 16 en wordt door Judas verslagen, 18 en twee torens, waarin sommigen gevlucht waren, worden ingenomen. 24 Timotheüs hervat de oorlog tegen de Joden, die de Heere om hulp aanroepen; en toen de strijd begon, verschenen voor de Joden vijf gewapende mannen uit de hemel, die voor hen vochten. 31 Het leger van de vijanden wordt verslagen, en Timotheüs vlucht naar Gazara, 33 dat door Judas belegerd, veroverd en verbrand wordt, 37 en Timotheüs wordt doodgeslagen.

1En Makkabeüs, en die met hem waren, hebben, daar de Heere hen geleidde, de tempel en de stad wedergekregen.

2En hebben de altaren, die door de vreemde heidenen op de markt opgebouwd waren, en bovendien ook de tempel van de afgoden weggenomen.

3En als zij de tempel hadden gereinigd, hebben zij een ander altaar gemaakt, en als zij uit stenen vuur hadden geslagen, en het vuur daaruit hadden ontvangen, hebben zij offergave geofferd, na de tijd van twee jaren; en hebben het reukwerk, en de lampen, en de toonbroden verzorgd.

4Dit gedaan hebbende, baden zij de Heere, op hun buik neervallende, dat zij niet weer mochten vallen in zulke zwarigheden, maar als zij ook te eniger tijd kwamen te zondigen, dat zij door Hem met goedertierenheid mochten worden gekastijd, en niet de godslasterlijke en barbaarse heidenen overgegeven worden.

5En de reiniging van de tempel gebeurde op dezelfde dag dat de tempel door de vreemde heidenen ontheiligd was, namelijk op de vijfentwintigste van de maand, die Chasleu is.

6En zij vierden met vreugde acht dagen, naar de wijze van de loofhutten, herinnering hoe zij een korte tijd tevoren op het feest van de loofhutten, op de bergen en in de grotten, zoals de wilde beesten, in eenzaamheid geweest waren.

7Daarom dragende ranken van wijngaarden en schone takken, en ook palmtakken, offerden zij lofzangen aan hem, die voorspoed had gegeven, dat deze zijn plaats zou gereinigd worden.

8En maakten een besluit, door een algemeen gebod en toestemming voor het hele volk van de Joden, dat deze dagen alle jaren zouden gevierd worden.

9En de uitgang van het leven van Antiochus, die toegenaamd was Epifanes, is dusdanig geweest.

10Maar nu zullen wij verklaren wat onder Antiochus Eupator, de zoon van deze goddeloze, gebeurd is, kortelijk saamvattende de voortdurende ellende van de oorlogen.

11Want deze, het koninkrijk ontvangen hebbende, stelde over zijn zaken een zekere Lysias, die de opperste veldoverste was over Celo-Syrië en Fenicië.

12Want Ptolomeüs, die toegenaamd was Macron, willende liever voor de Joden het recht bewaren, vanwege het ongelijk dat gedaan was, trachtte wat hun aanging vreedzaam te bestellen.

13Waarom hij door de vrienden bij Eupator beschuldigd zijnde, en dikwijls moetende horen dat hij een verrader was, omdat hij Cyprus, hem door Filometor toevertrouwd, verlaten had, en tot Antiochus Epifanes geweken was, en dat hij die edele macht niet zo voortreffelijk had bediend, zichzelf vergeven hebbende, heeft het leven verlaten.

14En Gorgias, veldoverste geworden zijnde van die plaatsen, onderhield vreemde soldaten, en voerde steeds de oorlog tegen de Joden.

15En tegelijk met hem ook de Idumeeën, welgelegen vestingen in hun macht hebbende, oefenden de Joden, en tot zich genomen hebbende degenen, die uit Jeruzalem gebannen waren, trachtten de oorlog te voeden.

16En die met Makkabeüs waren, een biddag gehouden en God gebeden hebbende, dat Hij hen wilde helpen strijden, deden een aanval op de vestingen van de Idumeeën.

17Die zij ook met geweld aantastende, de plaats vermeesterden, en verdreven allen die op de muren vochten, en sloegen dood allen die hen ontmoetten, en brachten niet minder dan twintigduizend man om.

18En als er niet minder dan negenduizend gevlucht waren in twee torens, die zeer sterk waren en wel voorzien van alles wat nodig was om een belegering te doorstaan,

19Zo liet Makkabeüs, Simon en Jozef, en daarenboven Zacheüs, en velen met hem om deze belegering te doen, en hij week zelf naar de plaatsen, die meer nood hadden.

20Maar die met Simon waren, geldgierig zijnde, lieten zich door sommigen, die in de torens waren, met geld omkopen, en zevenduizend drachmen ontvangen hebbende, lieten toe dat enige ontkwamen.

21En als wat daar gebeurd was, de Makkabeeër geboodschapt was, verzamelde hij de oversten van het volk, en beschuldigde hen, dat zij hun broers voor geld hadden verkocht, daar zij de vijanden tot hun nadeel hadden losgelaten.

22En heeft hen, daar zij verraders waren, omgebracht, en meteen die twee torens ingenomen.

23En door de wapenen, die hij in handen had, alleszins voorspoedig zijnde, bracht hij in die twee vestingen om meer dan twintigduizend mensen.

24En Timotheüs, die tevoren door de Joden overwonnen was, verzameld hebbende een zeer grote menigte van vreemde soldaten, en bijeengebracht hebbende de ruiters, die van Azië waren, niet weinig in getal, kwam aanrukken, alsof hij Judea met de wapenen zou innemen.

25Die met Makkabeüs waren, als hij met hen naderde tot het gebed van God, aarde op hun hoofden strooiende, en hun lendenen met zakken omgordende,

26En neervallende op de rand, die tegenover het altaar is, baden dat hij hun wilde genadig zijn, en dat hij vijandig zou willen zijn tegen hun vijanden, en degenen tegenstaan die hen tegenstonden, zoals de wet verklaart.

27Als zij van het gebed gekomen waren, namen zij de wapenen, en trokken ver van de stad, en als zij de vijanden naderden, bleven zij stil staan.

28En als de zon opgegaan was, leverden zij met elkaar slag; deze hadden tot een waarborg van de voorspoed en overwinning met de kloekmoedigheid, de toevlucht tot de Heere, en anderen stelden daartegen hun moed tot een overste van de strijd.

29Als er nu een zeer hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen vijf voortreffelijke mannen, zittende op paarden met gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden van de Joden.

30Deze nemende Makkabeüs midden tussen hen, beschermden hem met hun wapenen, en bewaarden hem dat hij niet gewond werd, en wierpen op de vijanden pijlen en bliksemen, waardoor ze door blindheid in verwarring gebracht zijnde, geslagen en met verbaasdheid vervuld werden.

31En er werden verslagen twintigduizendenvijfhonderd man te voet en zeshonderd ruiters.

32En Timotheüs zelf vluchtte in een zeer wel bezette vesting, genoemd Gazara, waar Cherea de overste was.

33Die met Makkabeüs waren, kloekmoedig zijnde, belegerden de vesting vierentwintig dagen.

34En die daar binnen waren, vertrouwende op de vastheid van de plaats, lasterden bovenmate zeer, en wierpen gruwelijke woorden uit.

35En als de vijfentwintigste dag begon aan te lichten, zo hebben enige jongemannen, die met Makkabeüs waren, in hun gemoed ontstoken zijnde door de Godslasteringen, op de muren aangevallen en zeer manmoedig en met een ontstoken gemoed allen die hun voorkwamen doodgeslagen.

36En de anderen evenzo opklimmende in de omgang tot hen, die binnen waren, staken de torens in brand, en vuren ontstoken hebbende, verbrandden al die godslasteraars levend.

37En de anderen verbraken de poorten; en weer anderen, slagorde ingelaten hebbende, namen de stad in, en zij sloegen Timotheüs, verscholen in een kuil, en zijn broer Chereas en Apollofanes.

38En deze dingen verricht hebbende, dankten zij met lofzangen en dankzeggingen de Heere, die Israël zo grote weldaad had bewezen, en die hun deze overwinning gegeven had.