2 Makkabeeën 13
Lees 2 Makkabeeën 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Antiochus Eupator komt met een zeer grote macht tegen Judea. 4 Lysias beschuldigt Menelaüs bij de koning, die hem te Berea in de astoren laat versmoren. 10 Judas vermaant het volk tot bidden, 13 en besluit, met advies van de raad, het uiterste te wagen, waarop hij de koning tegemoet trekt naar Modin, 15 en zijn leger aanvalt, dat hij met vrees doet terugtrekken. 19 De koning verovert Bethsura door overeenkomst en door verraad van Rodocus. 22 Wordt door Judas verslagen, 23 sluit vrede met de Joden en offert te Jeruzalem, 24 en stelt Judas aan tot opperste veldheer. 25 Waarover die van Ptolemaïs ontevreden zijn, maar door Lysias gestild worden.
1In het honderdnegenenveertigste jaar kwam aan degenen die bij Judas waren ter ore, dat Antiochus Eupator met grote menigte aankwam tegen Judea.
2En met hem Lysias, zijn hofmeester en die over zijn zaken gesteld was, een ieder hebbende een Griekse macht van honderdentienduizend te voet, en vijfduizendendriehonderd ruiters, en tweeëntwintig olifanten, en driehonderd wagens met zeisen gewapend.
3En bij deze voegde zich ook Menelaüs, die Antiochus met veel schimpen vermaande, niet om het welvaren van het vaderland, maar omdat hij meende, dat hij in het oppergezag zou gesteld worden.
4Maar de Koning van de koningen verwekte het gemoed van Antiochus tegen deze booswicht, en als Lysias betoonde dat hij oorzaak was van al dit kwaad, zo gebood hij dat men hem zou brengen naar Berea, om daar omgebracht te worden, zoals het gebruikelijk was in die plaats.
5Daar was in die plaats een toren, vijftig ellen hoog, vol as; in deze was een rond instrument, waarvan men aan alle kanten afviel in de as.
6Zij stootten daarvan af een ieder, die aan kerkroof schuldig was, of die anders enig ander bijzonder kwaad gedaan had, dat hij omkwam.
7Met zulk een dood gebeurde het dat deze goddeloze Menelaüs stierf, en de aarde niet mocht bekomen.
8En dat zeer rechtvaardig, want hij had vele zonden gedaan tegen het altaar, waar het heilig vuur was, en de as, en daarom heeft hij zijn dood in de as gevonden.
9En de koning door deze gedachten een barbaars gemoed gekregen hebbende, kwam om de Joden veel meer kwaad te doen, als hun ooit in de tijd van zijn vader gebeurd was.
10Maar Judas, dit vernemende, gebood het volk, dat zij dag en nacht de Heere zouden aanroepen, dat Hij, zo Hij ooit of immer, nu wilde te hulp komen degenen die in gevaar waren van de wet, en van hun vaderland, en van de heilige tempel te verliezen;
11En dat hij het volk, dat nu een weinig adem had geschept, niet wilde laten vallen in de handen van de schandelijke heidenen.
12Als zij dit allen gezamenlijk deden, en de barmhartige Heere baden, met klagen en vasten, voor hem zonder ophouden drie dagen neergevallen liggende, heeft Judas hen vermaand en geboden, dat zij zouden bij hem komen.
13En hij, met de ouderlingen alleen zijnde, nam met hen raad, voordat de soldaten van de koning in Judea zouden invallen, en zij de stad zouden bemachtigen, dat zij hem zouden tegentrekken, en dat zij de zaken zouden wagen, steunende op de hulp van de Heere.
14Hij dan, de zorg bevolen hebbende aan de schepper van de wereld en vermaand hebbende degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig tot de dood toe wilden strijden voor de wetten, tempel, stad, vaderland en regering sloeg ongeveer Modin zijn leger op.
15En zijn volk tot leus gegeven hebbende: VAN GOD IS DE OVERWINNING, is hij met enige van de beste en uitgelezen jongemannen bij nacht, bij het hof van de koning, aangevallen op het leger, en heeft ongeveer tweeduizend man verslagen, en heeft daarbij geveld de voornaamste olifant, met de menigte van degenen, die daar in het huis waren.
16En eindelijk het leger met vrees en verwarring vervuld hebbende, zijn zij met voorspoed vertrokken.
17En dit was gebeurd als de dag aanlichtte, door de bescherming van de Heere, die hem hielp.
18De koning nu, een proef gekregen hebbende van de onverschrokkenheid van de Joden, beproefde de plaatsen met list te bemachtigen.
19En als hij kwam tegen Bethsura, een sterke bezetting van de Joden, werd hij op de vlucht gebracht, gestuit en verminderd.
20En Judas zond aan degenen, die daar binnen waren, wat zij nodig hadden.
21En Rodocus, een van de Joodse soldaten, boodschapte de geheime zaken aan de vijanden, waarom hij gezocht, gegrepen en in de gevangenis gesloten is.
22De koning hield voor de tweede keer overleg met die van Bethsura, en de rechterhand gegeven en ontvangen hebbende, vertrok.
23En slag leverende met degenen die met Judas waren, ontving hij de nederlaag. En als hij vernomen had dat Filippus, die hij te Antiochië gelaten had om zijn zaken te doen, afgevallen was, is hij verslagen geworden; en de Joden gebeden hebbende, onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun op alle redelijke voorwaarden; en met hen verenigd zijnde, offerde hij offergaven, en vereerde de tempel, en betoonde aan de plaats grote eer.
24En omhelsde Makkabeüs, en benoemde hem tot een opperste veldoverste, van Ptolomaïs af tot de Gerzenen.
25En als hij te Ptolomaïs gekomen was, waren die van Ptolomaïs zeer ontevreden over de verbonden, want zij namen het zeer kwalijk dat zij de verbonden wilden verbreken.
26Maar Lysias, klimmende op de rechterstoel, verantwoordde dat op gepaste wijze, en stelde hen tevreden, en stilde hen, en maakte hen goedgunstig, zodat hij vertrekken kon naar Antiochië. En zo is het gegaan met de aankomst en vertrek van de koning.