2 Makkabeeën 15
Lees 2 Makkabeeën 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Nicanor neemt zich voor Judas met de zijnen op de sabbat te overvallen, 3 wat hem afgeraden zijnde, spreekt hij zeer Godslasterlijke woorden. 7 Judas vertrouwt op God en vermaant zijn volk tot kloekmoedigheid, 12 hun daartoe de droom verhalend die hij gedroomd had. 22 Het gebed dat Judas deed voordat de slag begon. 25 Nicanor verliest de slag en sneuvelt zelf. 30 Judas laat het hoofd, de armen en de tong van Nicanor afsnijden en zendt ze naar Jeruzalem. 36 De Joden bepalen dat de dag van deze overwinning elk jaar gevierd zou worden, 39 de schrijver van dit boek verontschuldigt zich bij de lezers.
1Nicanor, nu verstaande dat degenen die met Judas waren, zich onthielden in de plaatsen van Samarië, heeft raad genomen, dat hij hen op de rustdag met alle zekerheid zou overvallen.
2En als de Joden, die hem uit nooddwang volgden, tot hem zeiden: Wil hen in geen geval zo wreed en barbaars ombrengen, maar wil die dag, die vroeger met heiligheid geëerd is door hem, die alle dingen aanziet, in ere houden,
3Zo vroeg deze schelmachtigste mens, of daar ook een Heere in de hemel was, die geboden zou hebben, dat men de dag van de sabbat zou houden.
4En als deze antwoordden: Daar is een Heere die leeft, deze is in de hemel een machtig prins, die gebeden heeft dat men de zevende dag zal vieren.
5En de ander zei: Ik ben ook een machtig prins op de aarde, die u gebied de wapenen te nemen, en de diensten van de koning te volbrengen. En toch kon hij zijn ellendigen raadslag niet uitvoeren.
6En deze Nicanor, met alle trots zijn hals opstekende, had gedacht een algemeen teken van overwinning over degenen, die met Judas waren, op te richten.
7Maar Makkabeüs vertrouwde zonder ophouden met alle hoop, dat hij hulp zou krijgen van de Heere.
8En vermaande degenen die met hem waren, dat zij de aankomst van de heidenen niet zouden vrezen, maar dat zij in herinnering zouden houden de hulp, die hun telkens van de hemel toegekomen was, en nu van de Almachtige de overwinning verwachten, die Hij hun zou geven.
9En hen getroost hebbende uit de wet en de profeten, en hun ook in herinnering brengende de gevaren, die zij reeds hadden uitgestaan, zo heeft hij hen bemoedigd.
10En hen in hun gemoederen opgewekt hebbende, heeft hen vermaand, en meteen getoond de ontrouw van de heidenen, en de overtreding van de eden.
11En wapende zo een ieder van hen, niet zozeer met zekerheid van schilden en speren, als met terechtwijzing van goede woorden en hun daarbij verhaald hebbende een geloofwaardige droom, maakte hij hen allen samen zeer verheugd.
12En zo was zijn visioen: dat Onias, die het hogepriesterschap had bediend, een eerlijk en goed man, eerbaar van omgang, van manieren zachtzinnig, en passend zijn rede voortbrengende, en die van kindsbeen af zich geoefend had in alle dingen, die tot de deugd behoren, dat deze de handen uitstak, en bad voor de vergadering van de Joden.
13En dat zo ook verschenen was een man met grijs haar en heerlijk uitblinkende, en dat zijn uitnemendheid, die bij hem was, zeer was te bewonderen, en geheel voortreffelijk;
14En dat Onias, antwoordende, zou gezegd hebben: Dit is Jeremia, de profeet van God, die zijn broers liefheeft, en die veel bidt voor het volk en voor de heilige stad;
15En dat Jeremia de rechterhand uitstekende, aan Judas een gouden zwaard gaf, en dit gevende daarbij zei:
16Neem dit heilige zwaard, een geschenk van God, waarmee u de vijanden zult verwonden.
17Zij dan vermaand zijnde door deze woorden van Judas, die zeer goed waren, en zeer krachtig om tot kloekmoedigheid aan te sporen, en de harten van de jongemannen manhaftig te maken, namen voor geen leger op te slaan, maar kloekmoedig aan te vallen, en met alle mannelijke dapperheid onder de vijanden vallende, het uiterste te wagen, daar de stad, en het heiligdom, en de tempel in gevaar waren.
18Want het gevaar van huisvrouwen, en kinderen en ook van broers, en bloedverwanten, was bij hen in minder achting, maar de grootste en eerste vrees was voor de geheiligde tempel.
19En degenen, die in de stad gelaten waren, hadden geen kleine benauwdheid; de slag, die onder de blote hemel zou gebeuren, hen ontroerende.
20En als zij nu allen verwachtten dat het treffen zou aangaan, en de vijanden aanvielen, en hun leger in slagorde gesteld was, en de beesten op een geschikte plaats waren besteld, en de ruiterij bij de vleugels gesteld,
21Zo heeft Makkabeüs, ziende de grote menigte, en de menigerlei toerusting van de wapenen, en de wildheid van de beesten, opheffende zijn handen naar de hemel, de Heere aangeroepen, die wonderlijke dingen doet, als die wist dat de overwinning niet verkregen wordt door de wapenen, maar dat ze van Hem gegeven wordt degenen, die Hij oordeelt dit waard te zijn.
22En als hij bad, sprak hij deze woorden: U, o Heere, hebt Uw engel gezonden ten tijde van Hiskia, de koning van Juda, die in het leger van Sanherib gedood heeft tot honderdvijfentachtigduizend man.
23En nu, U prins van de hemelen, wil Uw goede engel voor ons heenzenden, tot vrees en beving.
24Dat door de grootte van Uw arm mogen geslagen worden degenen, die met godslastering gekomen zijn tegen Uw heilig volk. En met deze woorden heeft hij opgehouden te bidden.
25Degenen nu, die met Nicanor waren, kwamen aan met trompetten en triomfliederen.
26Maar die met Judas waren, vielen onder de vijanden met aanroeping en gebeden.
27En zij vechtende met de handen, maar met hun harten tot God biddende, sloegen niet minder dan vijfendertigduizend man, enorm verheugd zijnde over deze verschijning van God.
28En als zij uit deze nood gered waren, en met vreugde aftrokken, zo verstonden zij dat Nicanor tevoren gevallen was met zijn wapenrusting.
29En een groot geroep en getier daar gemaakt zijnde, prezen zij de Heere, in hun vaderlijke taal.
30En hij, die alleszins de eerste voorvechter is geweest van zijn medeburgers, met lichaam en ziel, die in zijn jaren de goedgunstigheid tegenover zijn eigen volk altijd bewaard had, heeft geboden dat men het hoofd van Nicanor, en zijn hand met de schouder zou afsnijden en te Jeruzalem brengen.
31En als hij daar gekomen was, en samen geroepen had zijn volk, en de priesters, staande voor het altaar, zond hij heen naar degenen, die in de burcht waren.
32En hun tonende het hoofd van de schelmachtige Nicanor, en de hand van deze godslasteraar, die hij uitgestrekt had tegen het heilige huis van de Almachtige, en die de hals had opgestoken,
33En de tong van de goddeloze Nicanor afgesneden hebbende, zei hij, dat hij die bij stukken zou geven aan de vogels, en dat hij deze als beloningen van zijn dwaasheid tegenover de tempel zou ophangen.
34En zij allen opziende naar de hemel dankten de glorierijke Heere, zeggende: Gezegend moet Hij zijn, die zijn plaats onbesmet heeft bewaard.
35En hij hing het hoofd van Nicanor uit de burcht, om voor allen te zijn een bekend en openbaar teken van de hulp van de Heere.
36En zij allen bepaalden met een algemeen besluit, dat zij deze dag in geen geval ongeëerd zouden laten;
37Maar dat zij de dertiende dag van de twaalfde maand, die Adar genoemd wordt in de Syrische taal, zouden vieren, van de dag voor de feestdag van Mordechai.
38Omdat dan de zaken van Nicanor zo afgelopen zijn, en van die tijden af de Hebreeën de stad in hun macht gehad hebben, zo zal ik ook hier mijn rede afbreken.
39En als ik dit wel, en zoals het in een historie behoort, bijeen gesteld heb, dat is mijn wil geweest; maar als ik het slecht en onvolledig heb gedaan, dat is wat ik heb kunnen doen.
40Want zoals het ongezond is wijn alleen te drinken, en ook evenzo water alleen, en zoals de wijn met water gemengd een zoete aangenaamheid geeft, en aangenaam is te drinken wijn met water gemengd, zo is ook een goed geschreven beschrijving van de historie aangenaam voor de oren van de lezers. En dit zij dan het einde.