2 Makkabeeën 5
Lees 2 Makkabeeën 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Wonderlijke tekenen aan de hemel gezien door die van Jeruzalem. 5 Jason vermoordt wreed zijn eigen burgers, wordt gedwongen te vluchten, en sterft met schande in ballingschap. 11 Antiochus neemt de stad Jeruzalem in en laat vele duizenden vermoorden en gevangennemen, 15 berooft de tempel, 21 vertrekt naar Antiochië, en laat Apollonius in zijn plaats daar, die ook een grote menigte vermoordt. 27 Judas Makkabeüs vlucht naar de woestijn.
1Omstreeks dezelfde tijd deed Antiochus zijn tweede tocht naar Egypte.
2En het gebeurde dat door de hele stad, bijna veertig dagen lang in de lucht gezien werden ruiters rijdende met gouden rokken, bij troepen, met lansen gewapend, en met blote zwaarden;
3En hopen paarden in slagorde gesteld, en treffen dat op elkaar gebeurde, en aanlopen tegen elkaar, en beweging van de schilden, een grote menigte van speren, en schieten van pijlen, en blinken van de gouden versierselen en allerlei borstwapenen.
4Waarom zij allen baden dat dit visioen ten goede mocht gebeuren.
5En als er een vals gerucht gekomen was, dat Antiochus het leven met de dood verwisseld had, Jason niet minder dan duizend mannen verzameld hebbende, heeft meteen een inval gedaan in de stad; en als zij op de muren gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen was, zo vluchtte Menelaüs op de burcht.
6En Jason sloeg zijn eigen burgers dood, zonder iemand te sparen, niet denkende dat de voorspoed tegen zijn eigen bloedverwanten de grootste tegenslag was; en hij dacht dat hij tekenen van overwinning oprichtte, niet van zijn medeburgers, maar van zijn vijanden.
7Maar hij verkreeg het oppergezag niet; maar als einde van zijn bedriegelijkheid schande behalende, vluchtte hij, en trok weer in het land Ammonitis.
8Ten laatste dan kreeg hij zijn loon bij Aretas de koning van Arabië, zo nagejaagd zijnde, dat hij vluchtte van de ene stad in de andere, door allen vervolgd zijnde en gehaat, als een die van de wet was afgevallen; en vervloekt als een beul van zijn vaderland en zijn burgers, is hij naar Egypte uitgeworpen.
9En hij, die velen uit hun vaderland in ballingschap verdreven had, is in ballingschap omgekomen, tot de Lacedemoniërs getrokken zijnde, alsof hij bij hen omwille van de familie in bescherming zou worden genomen.
10En hij, die een menigte onbegraven had weggeworpen, over die heeft niemand rouw gedragen, en heeft geen uitvaart, noch van zijn vaders graf mogen genieten.
11De koning, als hij verstaan had dat deze dingen zo gebeurd waren, vermoedde dat Judea van hem wilde afvallen; waarom hij uit Egypte trok, vergrimd in zijn gemoed, en heeft de stad met wapenen ingenomen.
12En gebood de soldaten, dat zij allen die hun tegenkwamen zouden slaan, zonder iemand te sparen, en dat zij al degenen, die op de huizen zouden klimmen zouden doodslaan.
13En er gebeurde een grote moord van jongen en van ouden; en mannen, en vrouwen, en kinderen werden omgebracht, en de maagden en kleine kinderen gedood.
14Zodat in drie dagen tachtigduizend omgebracht werden; veertigduizend werden met de hand gevangen en er werden niet minder verkocht dan er gedood waren.
15En daarmee niet tevreden zijnde, heeft hij zich verstout in te gaan in de allerheiligste tempel van de hele aardbodem, hebbende tot een leidsman Menelaüs, die een verrader was geworden, zo van de wetten als van het vaderland.
16En met zijn onreine handen de heilige voorwerpen nemende, en wat door andere koningen tot vermeerdering, heerlijkheid en eer van de plaats geschonken was, met zijn goddeloze handen wegrovende,
17Zo werd Antiochus in zijn gemoed zeer hoogmoedig, niet beschouwende, dat vanwege de zonden van degenen, die in de stad woonden, de Heere een kleine tijd vertoornd was geweest, en dat Hij daarom de plaats niet aanzag.
18Want was het niet gebeurd, dat zij tot vele zonden gebracht waren, evenals Heliodorus, die gezonden was van de koning Seleucus, om de schatkamer te bezichtigen, zo zou ook deze meteen, als hij ingekomen was, gegeseld zijnde, van zijn onverschrokkenheid afgekeerd geweest zijn.
19Maar de Heere heeft het volk niet om de plaats, maar de plaats om het volk uitverkoren.
20En daarom is dezelfde plaats, die deelachtig was geworden de ongelukken, die over dit volk gekomen waren, daarna ook deelachtig geworden de goedertierenheden, en het volk dat door de almachtige toorn was verlaten geweest, is weer door de verzoening met de grote Heere, in alle heerlijkheid opgericht.
21Antiochus dan, hebbende uit de tempel duizendenachthonderd talenten weggenomen, is haastig vertrokken naar Antiochië, menende naar zijn hoogmoed de aarde te maken, dat men daarop zou kunnen varen met schepen, en de zee, dat men daarop zou kunnen gaan, door de trots van zijn hart.
22En hij heeft ook enige oversten daar gelaten, om het volk te kwellen: Filippus te Jeruzalem, die van afkomst een Frygiër was, en veel barbaarser dan degene, die hem gesteld had,
23En in Garizin Andronicus, en naast deze Menelaüs, die veel erger dan de anderen zich verhief tegen de burgers.
24En hij had tegen de Joodse burgers een vijandig hart, en zond een gehate overste, Apollonius, met een leger van tweeentwintigduizend man, gelastende dat hij allen, die tot mannelijke ouderdom gekomen waren, zou doden, en de vrouwen en jongemannen verkopen.
25Deze, als hij gekomen was te Jeruzalem, veinzende, dat hij vreedzaam was, heeft zich stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat; op welke, daar hij de Joden vond, vierdag houdende, zo gebood hij die onder hem stonden, dat zij zich zouden in de wapenen begeven.
26En heeft allen, die uitgegaan waren om de schouwspelen te zien, laten doorsteken, en door de stad met wapenen lopende, heeft een grote menigte vermoord.
27En Judas, de Makkabeeër, is met negen anderen vertrokken naar het gebergte, en leefde met degenen die bij hem waren, naar de wijze van de wilde dieren, en zij aten als voedsel gras, en bleven daar, om geen deel te hebben aan de ontreiniging.