2 Makkabeeën 7
Lees 2 Makkabeeën 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Gruwelijke wreedheid door Antiochus begaan aan zeven broers, omdat zij geen varkensvlees wilden eten. 3 Hoe men gehandeld heeft met de eerste, 7 met de tweede, 10 met de derde, 13 met de vierde, 15 met de vijfde, 18 met de zesde, 24 met de zevende en jongste. 27 Wonderbaarlijke kloekmoedigheid van de moeder in het versterken en troosten van haar zonen. 41 Die ook daarna omgebracht is.
1Het gebeurde ook dat zeven broers, met de moeder gegrepen zijnde, door de koning gedwongen werden varkensvlees, dat ongeoorloofd is, te proeven; en werden met geselen en pezen geslagen.
2En een van hen, die voor de anderen sprak, zei zo: Wat wilt u ons vragen, en van ons weten? want wij zijn bereid liever te sterven, dan de wetten van onze vaders te overtreden.
3En de koning zeer gram wordende, gebood dat men pannen en ketels heet zou maken; en als die meteen heet gemaakt waren,
4Zo gebood hij dat men deze, die voor de anderen gesproken had, de tong zou afsnijden, en hem de huid rondom aftrekken, en zijn uiterste leden afhouwen, en dat de andere broers en de moeder dit zouden aanzien.
5Als hem nu alle leden onbruikbaar waren gemaakt, zo beval de koning dat men hem, die nog zijn adem haalde, aan het vuur zou brengen, en in de pan braden; en als de damp uit de pan zich zeer verspreidde, zo vermaanden zij elkaar met de moeder kloekmoedig te sterven;
6Sprekende zo: God de Heere ziet het aan, en zal in de waarheid over ons vertroost worden; zoals Mozes in zijn lied, dat hij tegen hen in het aangezicht heeft betuigd, verklaart, zeggende: en over zijn dienaren zal hij vertroost worden.
7En als de eerste op deze wijze gestorven was, zo leidden zij de tweede tot de bespotting; en de huid van het hoofd met het haar rondom afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult u nog geen zwijnenvlees eten, voordat het lichaam van lid tot lid gestraft wordt?
8Maar hij antwoordde in zijn vaderlijke taal, en zei tot hen: In geen geval. Waarom deze ook dezelfde pijniging is aangedaan, zoals de eerste.
9En als hij nu in de uiterste adem was, zei hij: U booswicht, u beneemt ons wel het tegenwoordige leven, maar de koning van de wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, tot een eeuwige opstanding van het leven weer opwekken.
10Na deze werd ook de derde bespot, en als zij zijn tong eisten, stak hij die meteen uit, en hij strekte zijn handen zeer vrijmoedig uit;
11En sprak kloekmoedig: Dit alles heb ik van God uit de hemel verkregen, en dit veracht ik om Zijn wetten, en ik hoop dat ik dit van Hem zal wederkrijgen.
12Zodat de koning zelf, en die bij hem waren, zich zeer verwonderden over de kloekmoedigheid van deze jongeling, dat hij deze pijnen voor niets achtte.
13En als ook deze overleden was, hebben zij evenzo de vierde gepijnigd en geslagen.
14En als hij sterven zou, sprak hij zo: Het is beter de hoop, die van mensen is, te verwisselen, en de hoop die van God is te verwachten, om van hem weer opgewekt te worden, maar voor u zal geen opstanding ten leven zijn.
15Daarna brachten zij de vijfde voor, en sloegen hem, en deze de koning aanziende, zei tot hem:
16U hebt macht onder de mensen, en hoewel u vergankelijk bent, zo doet u toch wat u wilt, maar denkt niet dat ons geslacht van God verlaten is.
17Maar u, verwacht en aanschouw Gods grote kracht, hoe Hij u en uw zaad zal pijnigen.
18Na deze brachten zij de zesde voor, en als hij sterven zou, zei hij: Dwaal niet tevergeefs, want wij lijden deze dingen om ons zelfs wil, omdat wij tegen onze God gezondigd hebben; want daar zijn aan ons dingen gebeurd die verwondering waard zijn.
19En u, meen niet dat u onschuldig zult zijn, omdat u het gewaagd hebt tegen God te strijden.
20Maar de moeder is bovenmate zeer te bewonderen, en aller goede herinnering waard, als die kloekmoedig verdragen heeft te aanschouwen, dat haar zeven zonen op één dag zijn omgebracht, om de hoop die zij hadden op de Heere;
21Want zij vermaande een ieder van hen in haar moedertaal, vervuld zijnde met een kloekmoedig verstand, haar vrouwelijke overlegging met een mannelijk gemoed opwekkende;
22Zeggende tot hen: Ik weet niet hoe u in mijn lichaam bent voortgebracht, noch heb ik u de geest en het leven gegeven, noch heb ik de eerste beginselen, waaruit een ieder van u bestaat, bijeengeschikt;
23Daarom de Schepper van de wereld, die de geboorte van de mensen toebereidt, en aller geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven met barmhartigheid, zoals u uzelf niet acht omwille van Zijn wetten.
24Antiochus, menende, dat hij veracht werd, en het daarvoor houdende, dat deze stem hem smaad aandeed, als de jongste nog overig was, deed niet alleen met woorden een terechtwijzing aan hem, maar hij verzekerde hem ook met ede, dat hij hem meteen rijk en gelukzalig zou maken, zo hij wilde afstaan van de vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend zou houden, en ambten toevertrouwen.
25En daar de jongeling in geen geval daarnaar luisterde, zo riep de koning en vermaande de moeder, dat zij de jongeling zou raden tot zijn behoudenis.
26En als hij met vele woorden haar vermaand had, heeft zij aangenomen haar zoon daartoe te bewegen.
27En de moeder naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende, zei zo in haar vaderlijke taal: Mijn zoon, ontferm u over mij, die u negen maanden in mijn lichaam gedragen, en u drie jaar gezoogd heb, en die u opgevoed, en u tot deze ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding gedragen heb,
28Ik bid u, mijn kind, dat u ziende naar de hemel, en naar de aarde, en aanziende al wat daarin is, wilt erkennen dat God deze dingen uit niet gemaakt heeft, en dat het menselijk geslacht zo geworden is.
29Vrees deze beul niet, maar wil u zo gedragen dat u uw broers waard bent, en ontvang de dood, opdat ik in barmhartigheid u weer mag verkrijgen met uw broers.
30En als zij nog sprak, zo zei de jongeling: Wat verwacht u nog? Ik zal het gebod van de koning niet gehoorzaam zijn, maar ik zal gehoorzaam zijn aan het gebod van de wet, die onze vaders gegeven is door Mozes.
31Maar u, koning die een vinder bent van alle kwaad tegen de Hebreeën, zult de handen Gods niet ontvluchten.
32Want wij lijden om onze zonden.
33Als onze Heere, die daar leeft, vanwege de tuchtiging en vergelding, een korte tijd boos is, Hij zal toch weer met zijn dienaren verzoend worden.
34Maar u goddeloze en onreinste van alle mensen, wil u niet tevergeefs verhovaardigen, trots zijnde op onzekere hoop, om uw hand op te heffen, tegen de hemelse kinderen.
35Want u bent nog niet ontvlucht het oordeel van de almachtige God, die over alles de wacht houdt.
36Want onze broers, een korte pijn geleden hebbende, zijn gestorven onder het verbond Gods van het eeuwig leven, maar u zult door het oordeel van God rechtvaardige straffen van deze trots wegdragen.
37En ik, zoals mijn broers, geef mijn lichaam en ziel over voor de wetten van de vaders, aanroepende God, dat Hij haast ons volk wil genadig zijn, en dat u door pijnigingen en geselen mag bekennen dat Hij alleen God is;
38En dat in mij en mijn broers ophoude de toorn van de Almachtige, die op al ons geslacht rechtvaardig gebracht is.
39En de koning zeer gram geworden zijnde, en zeer kwalijk nemende dat hij zo bespot werd, heeft deze veel kwalijker bejegend dan de anderen.
40En deze is dan zo rein gestorven, geheel op de Heere vertrouwende.
41En de moeder is ook ten laatste na de zonen gestorven.
42En dit zij dan dusverre verklaard aangaande het eten van de geofferde ingewanden, en aangaande de overgrote pijnigingen.