2 Makkabeeën 8
Lees 2 Makkabeeën 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Judas Makkabeüs verzamelt een leger om de wreedheid van Antiochus tegen te staan. 6 Brengt de vijanden grote schade toe. 9 Nicanor wordt met een leger tegen hem gezonden, 11 die de kooplieden uitnodigt om de Joden, die hij gevangen zou nemen, als slaven te kopen. 16 Judas vermaant zijn volk tot kloekmoedigheid, 22 stelt zijn volk in slagorde, 24 verslaat de vijanden, 27 en behaalt grote buit, waarvan hij de zieken en armen mee laat delen, 30 evenzo verslaat hij ook het leger van Timotheüs en Bacchides, 32 evenals van Philarches. 33 Callisthenes wordt verbrand. 35 Nicanor vlucht en komt terug naar Antiochië.
1En Judas de Makkabeeër, en die met hem waren, in het geheim in de plaatsen inkomende, riepen hun bloedverwanten tot zich; en die in de Joodse godsdienst gebleven waren tot zich nemende, verzamelden zesduizend man;
2En riepen de Heere aan, dat Hij zou willen zien op het volk dat van alle kanten overlast werd aangedaan, en dat Hij zich wilde ontfermen over de tempel, die door de goddeloze mensen ontheiligd was;
3En dat hij zich erbarmen wilde over de stad die nu verdorven was, en tot de aarde toe geslecht zou worden, en dat hij al het bloed, dat tot hem riep, zou willen verhoren;
4En dat Hij zou willen gedenken aan het onrechtvaardig ombrengen van de onschuldige kleine kinderen, en dat Hij om de lasteringen, die tegen Zijn naam gebeurd waren, Zijn haat wilde betonen tegen de boosheid.
5En als Judas Makkabeüs een leger verzameld had, werd hij onverdraaglijk voor de heidenen, daar de toorn van God in barmhartigheid was veranderd.
6De steden en plaatsen, onverwachts overkomende, stak hij in brand, en nam de welgelegen plaatsen in, en dreef niet weinigen van de vijanden op de vlucht.
7En hij nam vooral de nachten waar tot zulke hinderlagen; en het gerucht van zijn dapperheid verspreidde zich alleszins.
8Filippus ziende dat deze man gaandeweg tot grote voortgang kwam, en dat hij in voorspoed toenam, schreef aan Ptolomeüs, de overste van Celo-Syrië en Fenicië, dat hij de zaak van de koning zou te hulp komen.
9Deze verkoos meteen Nicanor, de zoon van Patroclus, een van de voornaamste vrienden, en zond hem, stellende onder hem niet minder dan twintigduizend man uit allerlei natiën, om het hele Joodse volk uit te roeien; en heeft hem toegevoegd Gorgias, een man die een overste was, goede ervaring hebbende in krijgszaken.
10Nicanor nu had de koning beloofd de belasting, die hij de Romeinen schuldig was, zijnde tweeduizend talenten, uit de gevangen Joden te vervullen.
11En hij zond meteen naar de zeesteden, hen nodende om Joodse slaven te kopen, belovende dat hij negentig slaven zou geven voor een talent; niet verwachtende de straf die hem zou overkomen van de Almachtige.
12En Judas was verwittigd van de aantocht van Nicanor.
13En als hij aan degenen, die met hem waren, verklaard had dat het leger daar was gekomen, zo vreesden zij, en vertrouwden niet op de gerechtigheid van God, maar zijn herwaarts en daarheen gevlucht, en verlieten de plaats.
14En anderen verkochten alles wat overgelaten was, en baden de Heere, dat Hij zou willen verlossen degenen die door de goddeloze Nicanor, voordat zij bijeenkwamen, verkocht waren;
15En zo hij het niet deed om hunnentwil, dat hij het wilde doen om de verbonden, die hij met hun vaders gemaakt had, en omdat zij naar zijn eerwaardige en voortreffelijke naam genoemd waren.
16En Judas Makkabeüs, verzameld hebbende die bij hem waren, zesduizend in getal, vermaande hen dat zij vanwege de vijanden niet verslagen zouden zijn, de grote menigte van de heidenen, die onrechtvaardig tegen hen kwamen, niet zouden vrezen, maar dat zij kloekmoedig zouden strijden, zichzelf voor ogen stellende de smaad, die zij onrechtvaardig volbracht hadden tegen de heilige plaats;
17En de mishandeling tegen de stad, die door hen bespot was; en ook de verbreking van de regering, die bij hun voorouders geweest was.
18En hij zei: Deze vertrouwen op hun wapenen en onverschrokkenheid, waar wij vertrouwen op de almachtige God, die machtig is deze, die tegen ons komen, en ook de hele wereld, met één wenk ter neer te werpen.
19En hij verhaalde hun de hulp, die aan hun voorouders gebeurd was, en hoe dat de honderdvijfentachtigduizend onder Sanherib omgebracht waren;
20En de slag, die in Babylonië tegen de Galaten gedaan was, hoe dat allen die tot noodweer gekomen waren, maar achtduizend waren, met vierduizend Macedoniërs, en als de Macedoniërs begonnen twijfelmoedig te worden, dat die achtduizend honderdtwintigduizend hebben omgebracht door de hulp die hun van de hemel gebeurde, en dat zij groot voordeel verkregen.
21Waarmee hij hen dapper gemaakt hebbende, en bereid om voor de wetten en het vaderland te sterven,
22Heeft hij zijn soldaten in vier hopen gesteld, en zijn broers aangesteld tot leiders van elke slagorde, namelijk Simon en Jozef, en Jonathan, stellende onder elk van hen duizendenvijfhonderd man, en daarboven ook Eleäzar.
23En als hij hun voorgelezen had het heilig boek, en hun tot een leus gegeven had: DOOR DE HULPE GODS, hij zelf, zijnde leider van de eerste slagorde, leverde met Nicanor slag.
24Daar de Almachtige met hen streed, versloegen zij van de vijanden over de negenduizend, verwondden en verminkten het merendeel van Nicanors soldaten, en dwongen hen allen te vluchten;
25En kregen het geld van degenen die gekomen waren om hen te kopen; en lange tijd hen vervolgd hebbende kwamen zij weer, daar zij door de tijd belet waren.
26Want het was de dag voor de Sabbat; waarom zij hen niet langer naliepen.
27En als zij de wapenen verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat; en zij dankten en loofden de Heere zeer, die hen behouden had tot die dag toe, die het begin was van de barmhartigheid, die over hen kwam.
28En na de Sabbat deelden zij uit aan de zieken, de weduwen, en de wezen van de buit, en het overige deelden zij onder zichzelf en onder hun knechten.
29En als zij deze dingen verricht hadden, hielden zij een algemene biddag, en baden de barmhartige Heere, dat Hij tot het einde toe zijn dienaren zou willen genadig zijn.
30En hun macht samen gebracht hebbende, vernielden zij van degenen, die bij Timotheüs en Bacchides waren, over de twintigduizend, en veroverden zeer gelukkig de hoge vestingen, en deelden een grote buit, makende gelijke gedeelten voor hen, en voor de zieken, en de wezen, en de weduwen, en ook voor de oude mensen.
31En hun wapenen verzameld hebbende, stelden zij die alle zorgvuldig in gelegene plaatsen; en het overige van de buit brachten zij te Jeruzalem.
32En zij versloegen ook Filarches, die bij Timotheüs was, een zeer goddeloos man, die de Joden veel verdriet aangedaan had.
33En als zij in het vaderland een dankdag hielden over de overwinning, hebben zij Callisthenes, die de heilige poorten in brand had gestoken, vluchtende in een huisje, verbrand; en zo heeft hij het verdiende loon van zijn goddeloosheid verkregen.
34En de overgoddeloze Nicanor, die duizend kooplieden bijeen gebracht had om de Joden aan hen te verkopen,
35Vernederd zijnde door degenen, die naar zijn achting de minste waren, door de hulp van de Heere, legde zijn heerlijke kleding af, en zichzelf eenzaam makende, vluchtte over de Middellandse zee, zoals een slaaf die zijn heer ontloopt, en kwam te Antiochië, boven alles gelukkig zijnde na het verlies van zijn leger.
36En hij, die aangenomen had de Romeinen de belasting te betalen uit de gevangenen, die hij te Jeruzalem zou krijgen, verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter hadden; en dat op deze wijze de Joden niet kunnen gewond worden, omdat zij navolgen de wetten die door Hem bestemd zijn.