2 Makkabeeën 9
Lees 2 Makkabeeën 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Antiochus, uit Persepolis verjaagd zijnde, 3 en bericht ontvangen hebbend van de nederlaag van zijn oversten in Judea, neemt zich voor zich op de Joden te wreken. 5 Wordt door God geslagen met een pijnlijke en ongeneeslijke ziekte in de ingewanden. 13 Bidt de Heere, en belooft dat hij de Joden wel zal doen, en ook de Joodse godsdienst zal aannemen. 19 Schrijft een brief aan de Joden, waarin hij verklaart dat zijn zoon Antiochus na zijn dood in zijn plaats zal komen, 26 en hen vermaant hem te willen aannemen, 28 en zo sterft hij ellendig in het gebergte.
1Omstreeks deze tijd gebeurde het dat Antiochus met schande wederkwam uit de plaatsen rondom Perzië.
2Want als hij was ingegaan in de stad genoemd Persepolis en gewaagde het heilige te beroven, en de stad te bezetten, zo is het volk te wapen gelopen en brachten hen op de vlucht; en het gebeurde, als Antiochus door de inwoners op de vlucht gedreven was, dat hij op een schandelijke wijze vertrok.
3En als hij te Ecbatana was, werd hem tijding gebracht van wat Nicanor en Timotheüs overkomen was.
4Waarom hij, in zijn gemoed toornig wordende, dacht dat hij het kwaad, dat hem aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden zou verhalen; en daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder ophouden zou voortgaan, en de reis volbrengen; het oordeel uit de hemel hem reeds persende. Want hij sprak in trots: Ik zal Jeruzalem maken tot een begraafplaats van de Joden, als ik daar zal gekomen zijn.
5Maar de almachtige Heere, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onzichtbare plaag; want toen hij deze woorden geëindigd had, heeft hem een ongeneeslijke pijn van de ingewanden en bittere inwendige pijnigingen bevangen;
6Zeer rechtvaardig, als die met vele en vreemde ellendigheden de ingewanden van anderen gepijnigd had.
7Maar hij liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij was nog met hoogmoed vervuld, vuur blazende in zijn toorn tegen de Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid werden.
8Hij, die kort tevoren de golven van de zee scheen te willen gebieden, met een overmoed, die de menselijke gedachten te boven ging, en die meende dat hij de hoogste bergen met een schaal zou wegen, als hij op de aarde was, werd in een rosbaar gedragen, de openbare macht Gods in zich voor allen betonende,
9Zodat ook uit het lichaam van deze goddeloze levende wormen voortkwamen, en dat zijn vlees, terwijl hij nog in smarten en pijnen leefde, van hem afviel; en dat van zijn reuk het hele leger bezwaard werd, vanwege de verrotting.
10Zodat hem, die een weinig tevoren de sterren van de hemel scheen te raken, niemand kon dragen, om de onverdraaglijke stank.
11Hier begon hij dan, zo verwond zijnde, van de grootheid van zijn hoogmoed terug te komen, en door deze Goddelijke geseling tot kennis te komen, alle ogenblikken zwaarder met pijnen aangetast wordende.
12En zijn eigen stank ook niet kunnende verdragen, zei hij deze woorden: Het is recht dat men zich God onderwerpe, en dat iemand, een sterfelijk mens zijnde, niet denke aan God gelijk te zijn.
13En deze booswicht bad de Heere, die hem nu geen barmhartigheid meer bewees, zo zeggende,
14Dat hij de heilige stad, tot welke hij haastte te komen, om ze ten gronde uit te roeien, en tot een grafplaats te maken, vrij zou stellen;
15En dat hij de Joden, die hij voorgenomen had zelfs niet met een begrafenis te verwaardigen, maar de vogels tot een aas, en de wilde beesten, met de kleine kinderen, voor te werpen, allen samen met die van Athene gelijk zou maken;
16En dat hij de heilige tempel, die hij tevoren beroofd had, met zeer schone geschenken zou versieren, en dat hij al de heilige voorwerpen veelvoudig zou weergeven, en dat hij uit zijn eigen inkomsten de onkosten, die tot de offergaven behoorden, zou bestellen;
17En dat hij daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door alle bewoonde plaatsen, om de kracht van God te verkondigen.
18Maar als de pijnen in geen geval ophielden, (want het rechtvaardig oordeel van God was over hem gekomen) aan zichzelf wanhopende, schreef hij aan de Joden deze ondergeschreven brief, hebbende een wijze van afbidding, van deze inhoud:
19De koning en veldoverste Antiochus, de Joden, aan zijn burgers, voorspoed, gezondheid en welvaren.
20Als u welvarend bent, en uw kinderen, en uw eigen zaken naar uw zin gaan, dat is ons aangenaam.
21In de hemel mijn hoop hebbende, gedenk ik goedertieren aan uw eer en aan uw goedgunstigheid.
22Terugkomende uit de plaatsen van Perzië, en gevallen zijnde in een ziekte, die haar zwarigheid heeft, heb ik nodig geacht zorg te dragen voor de algemene verzekerdheid van allen; niet wanhopende aan mijzelf, maar grote hoop hebbende dat ik deze ziekte zal ontvluchten.
23Maar beschouwende, dat mijn vader, in die tijden, als hij ook in die bovenplaatsen een leger voerde, verklaarde wie in zijn plaats zou komen;
24Opdat zo daar iets, buiten verwachting zou mogen gebeuren, of ook enige zwarigheid mocht geboodschapt worden, de inwoners van het land mochten weten, wie de zaken van het rijk gelaten zijn, en zij niet ontroerd worden.
25Daarenboven ook overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen en buren van het rijk zijn, op de gelegen tijden letten en verwachten wat gebeuren zal, zo heb ik tot koning verklaard mijn zoon Antiochus, die ik, dikwijls in de bovenprovinciën reizende, bij het merendeel van u vertrouwd en bevolen heb, en ik heb aan hem geschreven wat hieronder is geschreven.
26Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat u gedachtig zijnde van de goedertierenheden aan u in het algemeen en bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de goedgunstigheid, die u hebt tot mij, en tot mijn zoon.
27Want ik ben verzekerd, dat hij, mijn voornemen navolgende, u in alles redelijk en vriendelijk zal gelieven.
28Zo heeft dan deze mensenmoordenaar en godslasteraar, als hij het allerkwaadste geleden had, zoals hij anderen ook had aangedaan, in een vreemd land, in het gebergte, door een zeer ellendige dood, het leven afgelegd.
29En Filippus, die met hem opgevoed was, heeft het lichaam met zich genomen; die ook, vrezende de zoon van Antiochus, getrokken is naar Egypte, tot Ptolomeüs Filometor.