2 Meqabyan 1
Lees 2 Meqabyan 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1Aangaande wat Meqabis de Joden aandeed in Mesopotamië van Syrië, en hoe hij hen doodde in hun streken tot aan de omgeving van Jeruzalem, van Jabbok af en van de verwoesting van het heilige Gerag.[^1]
2Want zij belegerden Samaria tot aan de omgeving van Jeruzalem en al haar landstreken, en zij doodden met de scherpte van het zwaard, totdat zij niemand overlieten dan een klein aantal; want de Edomieten en de Syriërs en de Amalekieten hadden zich verbonden met de Moabiet Meqabis, die de stad Jeruzalem verwoestte.
3En toen de kinderen van Israël zondigden, zond Hij tot hen de Moabiet Meqabis, en die doodde hen allen met het zwaard.
4En om deze zaak ontstaken de vijanden Gods tegen Zijn heilige stad, en zij verhieven zich in hun oproer.[^2]
5En de Edomieten en de Filistijnen belegerden haar, en zij begonnen zich te wreken op de stad Gods; want Hijzelf had hen gezonden, omdat zij het woord Gods hadden veracht.
6En deze Meqabis nu, zijn stad was Remat van Moab; en hij stond op met macht uit zijn stad en spande samen met degenen die bij hem waren.
7En zij legerden zich in de valleien van Gelabuhe van Mesopotamië tot aan Syrië, om de stad Gods te verwoesten. En vandaar verzocht hij de Filistijnen en de Amalekieten, en hij gaf hun veel goud en zilver en paarden en wagens, opdat zij met hem in het oproer zouden zijn.
8En zij kwamen samen en haalden de stad omver en vergoten het bloed van hen die in haar woonden als water.
9En zij maakten Jeruzalem als de hut van een hoeder van de oogst,[^3] en zij bedreven daarin gruwel en onreinheid[^4] en al wat God niet behaagt, werken van goddeloosheid, en zij verontreinigden de stad Gods, die vol was van gerechtigheid en heiligheid.
10En zij maakten de lijken van Uw knechten tot voedsel voor de vogels des hemels, en het vlees van Uw rechtvaardigen voor het gedierte des velds.
11En zij verdrukten de weduwe en de wees, en bij de zwangere vrouwen dreven zij uit wat in hun schoot was, totdat God, Die het hart en de nieren beproeft, tot toorn werd verwekt; want zonder de vrees Gods handelden zij, zoals de satan hen geleerd had.
12En zij keerden terug naar hun woonplaatsen, verheugd over het kwaad dat zij aan het volk Gods gedaan hadden; en hij nam gevangenen en buit, die hij uit de heilige stad geroofd had.
13En toen zij thuiskwamen en terugkeerden in hun woningen, maakten zij vreugde en feestgelag en uitgelatenheid.[^5]