Bijbel2 Meqabyan

2 Meqabyan 13

Lees 2 Meqabyan 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1En zij nu, de Meqabeeën, de zonen van Meqabis, die geloofden en hun zielen aan de dood overgaven, weigerden het offer van de afgoden te eten;[^1]

2en zij gaven hun zielen over aan het vuur, opdat zij behouden zouden worden van het vuur dat in de hemelen is, wetende dat deze wereld voorbijgaat.

3En zij zeiden: De wellust blijft niet voor eeuwig; want zij wisten dat de bestraffing[^2] van God erger is dan de bestraffing van het mensenkind, en dat de toorn van God erger is dan de toorn van een koning.

4En één dag van vreugde in de voorhoven van het paradijs is beter dan tienduizenden jaren van leven op de aarde en dan lengte van dagen; beter is één uur van Uw barmhartigheid, o Heere.

5En wat zijn de dagen van de mens? Zijn zij niet gelijk een schaduw die voorbijgaat, en gelijk een kaars voor het aangezicht van het vuur?

6Maar U, o Heere, blijft in eeuwigheid, en Uw jaren vergaan niet, en Uw herinnering is tot geslacht van geslachten.

7Dit alles en wat daaraan gelijk is overwogen de zonen van Meqabis, en zij verkozen op God te vertrouwen, en weigerden het offer van de onreinheid te eten.

8En daarom gaven zij hun lichamen over tot het martelaarschap ter wille van God, wetende dat de doden zullen opstaan, en wetende dat er een oordeel zal zijn na de opstanding.

9En u die de opstanding van de doden niet kent en niet gelooft, weet het dan van deze mannen, goed van geslacht,[^3] die tezamen hun zielen aan de dood overgaven, wetende dat hun laatste leven beter is dan dit aardse, vergankelijke leven;

10en ziende dat alles voorbijgaat, gaven zij hun zielen over aan de dood, opdat zij van God een beloning zouden ontvangen, omdat zij in Hem geloofden en niet bogen voor de afgoden en niet aten van het offer van het dode en van de onreinheid.

11En daarom, wetende dat Hij hen zou verblijden op de laatste dag naar ziel en lichaam — want hoewel zij vrouw en kinderen hadden, achtten zij de zoetheid van deze wereld niet, noch de bitterheid van de dood — gaven zij hun zielen over aan de dood, wetende dat er een opstanding zal zijn op de laatste dag naar ziel en naar lichaam;

12en wetende dat zij die de inzetting van God bewaard hebben, zullen heersen in de wereld die komt, tot geslachten van geslachten en tot lengte van dagen, waar geen ziekte is noch verdriet.

13Er is geen ziekte noch verdriet, en er is geen dood. En met hen die geloofd hebben in het woord van God zijn goede koningen en vorsten, die hun zielen aan de dood overgaven gelijk een kaars in het midden van het vuur, terwijl zij met de overleggingen van hun hart aanschouwden wat komen zou;

14en zij hopen dat hun aangezicht zevenvoudig meer zal schijnen dan de zon, en dat zij volmaakt zullen worden in Zijn liefde in de opstanding van allen, naar ziel en naar lichaam.