2 Meqabyan 14
Lees 2 Meqabyan 14 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1Maar mij bedroeft het zeer en het benauwt mij, en mijn hart brandt in mij vanwege de Joden en de Samaritanen en de Farizeeën en de Sadduceeën, die de opstanding van de doden niet geloven. De Joden zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij, en daarna is er niets dat wij zullen zien.
2En de Samaritanen zeggen: Ons vlees zal niet opstaan, want het wordt tot stof.
3En als er een opstanding is, geloven wij de opstanding van onze zielen; want de ziel, ook al sterft het lichaam, sterft niet, want zij is gelijk de wind die niet gezien wordt, en gelijk het geluid van de donder, en men kan niet zeggen: Zie, daar is zij, en zij verschijnt niet.
4Maar ons vlees wordt door allen gezien, en het wordt as en stof, want de dieren verslinden het, en ook de wormen verslinden het in het graf.
5En ook zij die het verslonden hebben, worden as, en hun spoor wordt niet gevonden, want zij worden gelijk gras, en gelijk dat wat nooit geschapen werd, werden zij as.
6En daarin worden de lichamen die verslonden zijn wedergevonden.[^1] En zo zeggen de Farizeeën: De opstanding van de doden geloven wij, maar Hij bekleedt de zielen in de hemelen met een ander lichaam, dat niet is als het aardse.
7En zo zeggen de Sadduceeën: Van het ogenblik dat onze ziel uit ons lichaam uitgaat, staan wij niet meer op uit de doden; en er is voor hen geen opstanding van de doden, noch voor de ziel noch voor het lichaam, en wanneer wij gestorven zijn, staan wij niet op.
8En hierom handelen zij zeer dwaas, en het benauwt mij aangaande hen, want zij spreken godslastering tegen God en Zijn heerlijkheid.
9En zij hebben geen hoop op behoud, want zij hebben niet geloofd in God, die hen rechtvaardigt; en voorwaar, zij hebben geen hoop op behoud noch op de opstanding van de doden.
10En u, blinde Jood, verheft u zich tegen God, die u bracht uit het niet-zijnde en, toen u nog slijk[^2] was, u tot een mens maakte? Zal Hij die u gezaaid heeft, niet bij machte zijn uw ziel en uw lichaam te doen uitspruiten, naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis?
11En reken niet zo, want u kunt niet ontkomen aan de hand van God. U zult opstaan, hoewel u het niet begeert, en u zult geoordeeld worden, hoewel het u niet behaagt; want het koord van het dodenrijk is om uw hals, dat u gegrepen heeft, van de dag van uw dood af.
12Want in de moederschoot spruit het voor u op uit de stam van het dodenrijk; het is het koord dat zij om uw hals leggen, en wanneer u groot wordt, wordt ook zij evenzo groot.
13En wanneer u sterft, leggen zij het om uw hals; en wanneer zij aan zijn stam trekken, brengt het hen.[^3]
14En het trekt zijn takken, want alle zondaren zijn daarin gehouden, gelijk koorden om hun hals zijn.
15En het brengt al de zielen van de zondaren van waar zij zijn, van de einden des hemels; en evenzo trekt uw koord u, om uw ziel te brengen van waar u bent, en om u weer te brengen in de stroom van het dodenrijk.
16En ook uw lichaam, hersteld en zevenvoudig geworden gelijk het lichaam van onze vader Adam, zal de dauw van de barmhartigheid van God u doen opstaan; en daar zult u vergolden worden naar de overtreding en de zonde die u bedreven hebt, naar uw ongeloof.
17En laat het u niet goeddunken, als een die anderen doet dwalen en zelf dwaalt, u die in het graf woont in uw dwaling en zegt: Er is geen opstanding van de doden — opdat zij afdwalen van het gebod van God.
18En wie zal u in de as en het stof laten? Veeleer zal Hij u opwekken, om u te vergelden naar uw werken die u gedaan hebt.
19En dan zal komen — hetzij uw geesten die in de winden zijn, of uw stof dat in de aarde is, of uw vlam die in het vuur is,
20hetzij de geest des levens die in u geblazen werd — in de voorhof van de duisternis.
21Die opgesloten is;[^4] maar de zielen van de rechtvaardigen worden met vreugde ingesloten in het paradijs.
22Maar u, o Jood en Samaritaan en Farizeeër en Sadduceeër, tot de tijd van uw oordeel wordt u gebonden gehouden in de duisternis.
23En dan zult u zien hoe God u vergeldt naar uw werken, om dat waardoor u misleid werd.[^5]
24En u zei tot hen: De doden leven niet; laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij; en u zegt in uw arglist,[^6] terwijl u op de stoel van Mozes zit: Er is geen opstanding van de doden.
25En daarom hebt u gedwaald, terwijl u het boek van de wet kent en het woord van de Schriften leert; en omdat u de mensen doet dwalen, zou het beter voor u geweest zijn als u niet geleerd en niet geweten had.
26Het woord van de Schriften — omdat u het volk van God verkeert door de boosheid van uw leer en door uw woord dat geen nut heeft.
27Maar u zult vergolden worden naar uw werken en naar de vrucht van uw lippen, want God ziet de persoon niet aan; en hun die het goede leren, zal Hij vergelden uit de goede dingen die Hij bereid heeft voor hen die Hem liefhebben.
28Maar u hebt geen plaats om te ontkomen aan de hand van Hem die u oordeelt, en Hij zal u vergelden naar uw werken; want u en hen die u geleerd hebt, zult tezamen geoordeeld worden.
29Ik weet dat de doden zullen opstaan; ook zij die Zijn gebod bewaard hebben zullen opstaan, en het opstaan zal hun niet onmogelijk zijn, want Zijn gebod brengt hen voort, zoals de aarde het gras voortbrengt wanneer de regen daarop slaat.
30En gelijk de groene boom zijn loof voortbrengt wanneer de regen de aarde bevochtigt, en gelijk zij de vrucht van tarwe of de aar van koren voortbrengt — en het is niet mogelijk dat zij haar vrucht inhoudt, als God het wil.
31En gelijk een zwangere, wanneer haar weeën komen, haar moederschoot niet kan sluiten wanneer zij het woord van God gehoord heeft, maar hen terzelfder tijd baart, in een ogenblik, want de dauw die van God is daalt op haar neder;
32evenzo brengt ook de aarde voort ten dage dat men in haar verzameld wordt; zij kan haar schoot niet sluiten wanneer zij het woord van God gehoord heeft, maar baart hen terzelfder tijd, in een ogenblik, want de dauw die van God is daalt op haar neder.
33En de lichamen zullen verzameld worden in hun plaatsen, waar hun lijken gevallen zijn; en de huizen, de schatkamers van de zielen, zullen geopend worden, en de zielen zullen wederkeren in de lichamen waaruit zij voorheen uitgegaan waren.
34En bij het geschal van de bazuin zullen de doden opstaan in een ogenblik, in een oogwenk, en zij zullen staan voor God, en Hij zal hun vergelden naar het werk van hun handen.
35Dan zult u zien dat u opstaat uit de doden, en u zult u verwonderen over al uw werken die u op de aarde gedaan hebt; en wanneer u ze geschreven ziet voor uw ogen, dan zult u op die dag berouw hebben, waar het u niet baat.
36En u zult weten dat u opstaat uit de doden en vergolden wordt naar uw werken die u gedaan hebt.