2 Meqabyan 18
Lees 2 Meqabyan 18 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1Hoe grote dwaling dwaalt u, u die niet gelooft in de opstanding van de doden! En wanneer men u wegvoert naar waar u het niet weet, dan zult u op dat tijdstip berouw hebben, wanneer het u niet meer baat; en wanneer men u in het oordeel werpt, omdat u niet geloofd hebt in de opstanding van de doden, naar lichaam en ziel tezamen.
2En u zult vergolden worden naar wat u gedaan hebt, hetzij goed, hetzij kwaad; omdat u het hart van uw naasten bedorven hebt door te zeggen: Wij geloven dat de doden, die tot as en aarde geworden zijn, niet opstaan.
3En daarom worden hun metgezellen dwaas; want er is geen kwijtschelding voor hun dood, en geen kracht om aan hun lot te ontkomen,<sup>1</sup> en ook door hun arbeid worden zij niet vrijgesteld, want zij moeten staan voor het oordeel van God.
4En zij zullen zich zeer schamen wanneer Hij hen bestraft in Zijn toorn en op hen vertoornd is vanwege al het kwaad dat zij gedaan hebben; want terwijl zij de weg van God niet kennen, spreken zij, daar zij zelf niet weten vanwaar zij gekomen zijn.
5En zij weten niet waarheen zij gaan — in het oordeel van de vlam des vuurs; want naar de verkeerdheid van hun hart onderwijzen zij hun naasten, want zij zijn bitter en ruw in hun daden en hardvochtig, en zij leren een verdraaid woord, zeggende: Er is geen opstanding van de doden.
6En op die dag zullen zij weten dat de doden opstaan, en zij zullen geoordeeld worden omdat zij niet geloofd hebben in de opstanding van de doden, voor heel het schepsel van het mensenkind.
7Want wij zijn allen de vrucht van Adam, en om Adam zijn wij gestorven; want over ons allen is, vanwege de dwaling van onze vader Adam, het oordeel des doods gekomen van God.
8En opnieuw, opdat wij vergolden zouden worden voor wat wij gedaan hebben, staan wij op met die Adam, onze vader; want door de onwetendheid van onze vader Adam is de wereld aan de dood onderworpen geworden.
9En daarom werden wij vergolden door de overtreding van Adam, en ons vlees verging in het graf, en ook onze beenderen werden verbrijzeld.
10En de aarde dronk ons merg, en onze schoonheid werd bedorven en verging tot as, en ons vlees werd begraven in de aarde, en onze schone stem werd begraven in het stof.
11En het licht ging uit onze heldere ogen, en onze schoonheid werd bedorven in het graf en werd tot stof.
12Waar is de luister van de schoonheid van de goede jongemannen, van wie de gestalte bevallig was,<sup>2</sup> en de zoetheid van hun stem? Waar is de grootheid van de sterken?
13En waar is de kracht van de koningen en de eer van de vorsten, en hun gezeten zijn op paarden, en hun getooid zijn met goud en zilver, en hun uitgedost zijn in het glinsterende krijgstuig?
14Waar is de smaak van de spijzen bij zoete wijn?