Bijbel2 Samuël

2 Samuël 1

Lees 2 Samuël 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Terwijl David te Ziklag is, ontvangt hij het bericht van de dood van Saul en Jonathan, vers 1 enz. Waarover hij met de zijnen rouw bedrijft, 11. En hij laat de bode, die zich erop beroemde Saul gedood te hebben, ombrengen, 13. Davids klaaglied over Saul en Jonathan, 17.

1Verder gebeurde het na Sauls dood, als David van de slag van de Amalekieten was teruggekeerd, en David twee dagen te Ziklag gebleven was;

2Zo gebeurde het op de derde dag, dat, ziet, uit het leger van Saul, een man kwam, van wie de kleren gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het gebeurde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neer.

3En David zei tot hem: Vanwaar komt u? En hij zei tot hem: Ik ben ontkomen uit het leger van Israël.

4Verder zei David tot hem: Wat is de zaak? Vertel het mij toch. En hij zei, dat het volk uit de strijd gevlucht was, en dat er ook velen van het volk gevallen en gestorven waren, dat ook Saul en zijn zoon Jonathan dood waren.

5En David zei tot de jongen, die hem de boodschap bracht: Hoe weet u, dat Saul dood is, en zijn zoon Jonathan?

6Toen zei de jongen, die hem de boodschap bracht: Ik kwam toevallig op het gebergte van Gilboa; en ziet, Saul leunde op zijn speer; en ziet, de wagens en ritmeesters hielden dicht op hem.

7Zo zag hij achter zich om, en zag mij, en hij riep mij, en ik zei: Zie, hier ben ik.

8En hij zei tot mij: Wie bent u? En ik zei tot hem: Ik ben een Amalekiet.

9Toen zei hij tot mij: Sta toch bij mij, en dood mij; want deze benauwdheid heeft mij opgehouden; want mijn leven is nog geheel in mij.

10Zo stond ik bij hem, en doodde hem; want ik wist, dat hij na zijn val niet leven zou; en ik nam de kroon, die op zijn hoofd was, en de armband, die aan zijn arm was, en heb ze hier tot mijn heer gebracht.

11Toen vatte David zijn kleren en scheurde ze; evenzo ook al de mannen, die met hem waren.

12En zij weeklaagden, en huilden, en vastten tot op de avond, over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk van JAHWEH, en over het huis van Israël, omdat zij door het zwaard gevallen waren.

13Verder zei David tot de jongen, die hem de boodschap gebracht had: Vanwaar bent u? En hij zei: Ik ben de zoon van een vreemdeling, van een Amalekiet.

14En David zei tot hem: Hoe, hebt u niet gevreesd uw hand uit te strekken, om de gezalfde van JAHWEH te verderven?

15En David riep een van de jongens, en zei: Treed toe, val op hem aan. En hij sloeg hem, dat hij stierf.

16En David zei tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb de gezalfde van JAHWEH gedood.

17David nu klaagde deze klage over Saul en over Jonathan, zijn zoon;

18Als hij gezegd had, dat men de kinderen van Juda de boog zou leren; zie, het is geschreven in het boek van de Oprechten.

19O Sieraad van Israël, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen!

20Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters van de Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters van de onbesnedenen niet opspringen van vreugde.

21U, bergen van Gilboa, noch dauw noch regen moet zijn op u, noch velden van de hefoffers; want daar is het schild van de helden smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof hij niet gezalfd was geweest met olie.

22Van het bloed van de verslagenen, van het vette van de helden, werd Jonathans boog niet achteruit gedreven; en Sauls zwaard keerde niet leeg weer.

23Saul en Jonathan, die geliefden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren lichter dan adelaars, zij waren sterker dan leeuwen.

24U, dochters van Israël, weent over Saul; die u kleedde met scharlaken, met weelde; die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding.

25Hoe zijn de helden gevallen in het midden van de strijd! Jonathan is verslagen op uw hoogten!

26Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broer Jonathan! U was mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde van de vrouwen.

27Hoe zijn de helden gevallen, en de oorlogswapenen verloren!