2 Samuël 12
Lees 2 Samuël 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De profeet Nathan stelt David, op Gods bevel, zijn grove zonden voor ogen door een gelijkenis, met scherpe bestraffing van zijn ondankbaarheid, en dreiging met zware straffen, vers 1 enz. David belijdt zijn zonden, die God hem ook vergeeft, maar met de toevoeging van een scherpe kastijding, 13. David smeekt en vast streng voor het zieke kind terwijl het nog leeft, maar is goedsmoeds als het dood is, 15. Waarvan hij, gevraagd zijnde, reden geeft, 21. Krijgt daarna uit Bathseba de beloofde zoon, Salomo, die Jedidja genoemd wordt, 24. David wint Rabba, en straft de Ammonieten zwaar, 26.
1En JAHWEH zond Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zei hij tot hem: Er waren twee mannen in één stad, de één rijk en de ander arm.
2De rijke had zeer veel schapen en runderen.
3Maar de arme had geheel niet dan één enig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn brood, en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter.
4Toen nu de rijke man een wandelaar ontving, zag hij ervan af te nemen van zijn schapen en van zijn runderen, om voor de reizende man, die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam het ooilam van de arme man, en bereidde dat voor de man, die tot hem gekomen was.
5Toen ontstak Davids toorn zeer tegen die man; en hij zei tot Nathan: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind van de dood!
6En dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij niet gespaard heeft.
7Toen zei Nathan tot David: U bent die man! Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Ik heb u tot koning gezalfd over Israël, en Ik heb u uit Sauls hand gered;
8En Ik heb u het huis van uw heer gegeven, daartoe de vrouwen van uw heer in uw schoot, ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven; en als het weinig is, Ik zou u zoveel en nog meer daartoe doen.
9Waarom hebt u dan het woord van JAHWEH veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard verslagen, en de vrouw van Uria hebt u tot vrouw genomen; en hem hebt u met het zwaard van de kinderen van Ammon doodgeslagen.
10Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat u Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt, dat zij u zijn vrouw wordt.
11Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen van deze zon.
12Want u hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor geheel Israël, en voor de zon.
13Toen zei David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen JAHWEH! En Nathan zei tot David: JAHWEH heeft ook uw zonde weggenomen, u zult niet sterven.
14Toch, omdat u door deze zaak de vijanden van JAHWEH enorm hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, de dood sterven.
15Toen ging Nathan naar zijn huis. En JAHWEH sloeg het kind, dat de huisvrouw van Uria David gebaard had, dat het zeer ziek werd.
16En David zocht God voor die jongen; en David vastte een vasten, en ging in, en lag de nacht over op de aarde.
17Toen maakten zich de oudsten van zijn huis op tot hem, om hem te doen opstaan van de aarde; maar hij wilde niet, en at geen brood met hen.
18En het gebeurde op de zevende dag, dat het kind stierf; en Davids knechten vreesden hem aan te zeggen, dat het kind dood was, want zij zeiden: Zie, als het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij hoorde naar onze stem niet, hoe zullen wij dan tot hem zeggen: Het kind is dood? Want het mocht kwaad doen.
19Maar David zag, dat zijn knechten mompelden; zo merkte David, dat het kind dood was. Daarom zei David tot zijn knechten: Is het kind dood? En zij zeiden: Het is dood.
20Toen stond David op van de aarde, en waste en zalfde zich, en veranderde zijn kleding, en ging in het huis van JAHWEH, en bad aan; daarna kwam hij in zijn huis, en eiste brood; en zij zetten hem brood voor, en hij at.
21Zo zeiden zijn knechten tot hem: Wat is dit voor een ding, dat u gedaan hebt? Vanwege het levende kind hebt u gevast en geweend; maar nadat het kind gestorven is, bent u opgestaan en hebt brood gegeten.
22En hij zei: Als het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend; want ik zei: Wie weet, JAHWEH zou mij mogen genadig zijn, dat het kind levend bleve.
23Maar nu is het dood, waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog kunnen wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet terugkeren.
24Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathseba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij baarde een zoon, die zij Salomo noemde; en JAHWEH had hem lief.
25En zond heen door de hand van de profeet Nathan, en noemde zijn naam Jedid-jah, omwille van JAHWEH.
26Joab nu streed tegen Rabba van de kinderen van Ammon; en hij nam de koninklijke stad in.
27Toen zond Joab boden tot David, en zei: Ik heb gekrijgd tegen Rabba, ook heb ik de waterstad ingenomen.
28Zo verzamel u nu het overige van het volk, en beleger de stad, en neem ze in; opdat niet, zo ik de stad zou innemen, mijn naam over haar uitgeroepen wordt.
29Toen verzamelde David al dat volk, en trok naar Rabba; en hij streed tegen haar, en nam ze in.
30En hij nam de kroon van haar koning van zijn hoofd af, waarvan het gewicht een talent goud was, met edelgesteente, en zij werd op Davids hoofd gezet; ook voerde hij uit een zeer grote roof van de stad.
31Het volk nu, dat daarin was, voerde hij uit, en legde het onder zagen, en onder ijzeren dorswagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door de kleioven doorgaan; en zo deed hij aan alle steden van de kinderen van Ammon. Daarna keerde David, en al het volk, weer naar Jeruzalem.