2 Samuël 13
Lees 2 Samuël 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Amnon bemint zijn zuster Thamar, en verkracht haar, met behulp van de arglistige raad van Jonadab, maar verstoot haar terstond weer, vers 1 enz. Wat Absalom, de volle broer van Thamar, na verloop van twee jaar bitter wreekt, door zijn broer Amnon te laten vermoorden, 23. Deze zaken ontstellen en bedroeven David zeer, 21, 36. Absalom vlucht naar Gesur, 37.
1En het gebeurde daarna, zo Absalom, Davids zoon, een knappe zus had, van wie de naam Thamar was, dat Amnon, Davids zoon, haar lief kreeg.
2En Amnon was benauwd tot ziek wordens toe, om zijn zus Thamars wil; want zij was een maagd, zodat het in Amnons ogen zwaar was, haar iets te doen.
3Maar Amnon had een vriend, van wie de naam Jonadab was, een zoon van Simea, Davids broer; en Jonadab was een zeer wijs man.
4Die zei tot hem: Waarom bent u van morgen tot morgen zo mager, u koningszoon, zult u het mij niet te kennen geven? Toen zei Amnon tot hem: Ik heb Thamar, de zus van mijn broer Absalom, lief.
5En Jonadab zei tot hem: Leg u op uw bed, en maak u ziek; als dan uw vader zal komen om u te zien, zo zult u tot hem zeggen: Dat toch mijn zus Thamar kome, dat zij mij met brood spijzige, en het voedsel voor mijn ogen toemake, opdat ik het aanzie, en van haar hand ete.
6Amnon dan legde zich, en maakte zich ziek. Toen nu de koning kwam om hem te zien, zei Amnon tot de koning: Dat toch mijn zus Thamar kome, dat zij twee koekjes voor mijn ogen toemake, en ik van haar hand ete.
7Toen zond David heen tot Thamar in het huis, zeggende: Ga toch heen in het huis van uw broer Amnon, en maak hem een voedsel.
8En Thamar ging heen in het huis van haar broer Amnon, (hij nu was neerliggende), en zij nam deeg, en kneedde het, en maakte koekjes toe voor zijn ogen, en bakte de koekjes.
9En zij nam een pan, en goot ze uit voor zijn aangezicht; maar hij weigerde te eten. En Amnon zei: Doe alle man van mij uitgaan. En alle man ging van hem uit.
10Toen zei Amnon tot Thamar: Breng het voedsel in de kamer, dat ik van uw hand ete; zo nam Thamar de koekjes, die zij gemaakt had, en bracht ze haar broer Amnon in de kamer.
11Als zij ze nu tot hem nabij bracht, dat hij ate, zo greep hij haar, en zei tot haar: Kom, lig bij mij, mijn zus!
12Maar zij zei tot hem: Niet, mijn broer, verkracht mij niet, want zo doet men niet in Israël; doe deze dwaasheid niet.
13Want ik, waarheen zou ik mijn schande brengen? En u, u zou zijn als een van de dwazen in Israël; zo spreek toch nu tot de koning, want hij zal mij van u niet onthouden.
14Maar hij wilde naar haar stem niet horen; maar sterker zijnde dan zij, zo verkrachtte hij haar, en lag bij haar.
15Daarna haatte haar Amnon met een zeer grote haat; want de haat, waarmee hij haar haatte, was groter dan de liefde, waarmee hij haar had liefgehad; en Amnon zei tot haar: Maak u op, ga weg.
16Toen zei zij tot hem: Er zijn geen redenen om mij uit te drijven; dit kwaad zou groter zijn dan het andere, dat u bij mij gedaan hebt; maar hij wilde naar haar niet horen.
17En hij riep zijn jongen, die hem diende, en zei: Drijf nu deze van mij uit naar buiten, en grendel de deur achter haar toe.
18Zij nu had een veelvervigen rok aan; want zo werden de dochters van de koning, die maagden waren, met mantels gekleed; en zijn dienaar bracht haar uit tot buiten, en grendelde de deur achter haar toe.
19Toen nam Thamar as op haar hoofd, en scheurde de veelvervigen rok, die zij aanhad; en zij legde haar hand op haar hoofd, en ging vast heen en kreet.
20En haar broer Absalom zei tot haar: Is uw broer Amnon bij u geweest? Nu dan, mijn zus, zwijg stil, hij is uw broer; zet uw hart niet op deze zaak. Zo bleef Thamar en was eenzaam in het huis van haar broer Absalom.
21Als de koning David al deze dingen hoorde, zo ontstak hij zeer.
22Maar Absalom sprak niet met Amnon, noch kwaad noch goed; maar Absalom haatte Amnon, omdat hij zijn zus Thamar verkracht had.
23En het gebeurde, na twee volle jaren, dat Absalom, schaapsscheerders had te Baäl-Hazor, dat bij Efraïm is; zo nodigde Absalom al de zonen van de koning.
24En Absalom kwam tot de koning, en zei: Zie, nu heeft uw knecht schaapsscheerders; dat toch de koning en zijn knechten met uw knecht gaan.
25Maar de koning zei tot Absalom: Niet, mijn zoon, laat ons toch niet al samen gaan, opdat wij u niet moeilijk zijn; en hij hield bij hem aan, maar hij wilde niet gaan, maar zegende hem.
26Toen zei Absalom: Zo niet, laat toch mijn broer Amnon met ons gaan. Maar de koning zei tot hem: Waarom zou hij met u gaan?
27Als Absalom bij hem aanhield, zo liet hij Amnon en al de zonen van de koning met hem gaan.
28Absalom nu gebood zijn jongens, zeggende: Let er nu op, als Amnons hart vrolijk is van de wijn, en ik tot u zal zeggen: Sla Amnon, dan zult u hem doden; vrees niet; is het niet, omdat ik het u geboden heb? Wees sterk en wees dapper.
29En Absaloms jongens deden aan Amnon, zoals Absalom geboden had. Toen stonden alle zonen van de koning op, en reden ieder op zijn muildier, en vluchtten.
30En het gebeurde, als zij op de weg waren, dat het gerucht tot David kwam, dat men zei: Absalom heeft al de zonen van de koning geslagen, en er is niet één van hen overgelaten.
31Toen stond de koning op, en scheurde zijn kleren, en legde zich neer ter aarde; evenzo stonden al zijn knechten met gescheurde kleren.
32Maar Jonadab, de zoon van Simea, Davids broer, antwoordde en zei: Mijn heer zegge niet, dat zij al de jongemannen, de zonen van de koning, gedood hebben; maar Amnon alleen is dood; want bij Absalom is er op toegeleid, van de dag af, dat hij zijn zus Thamar verkracht heeft.
33Zo neme nu mijn heer de koning de zaak niet in zijn hart, denkende: al de zonen van de koning zijn dood; want Amnon alleen is dood.
34Absalom nu vluchtte; en de jongen, die de wacht hield, hief zijn ogen op, en zag toe, en ziet, er kwam veel volk van de weg achter hem, aan de zijde van het gebergte.
35Toen zei Jonadab tot de koning: Zie, de zonen van de koning komen; naar het woord van uw knecht, zo is het gebeurd.
36En het gebeurde, als hij geëindigd had te spreken, ziet, zo kwamen de zonen van de koning, en hieven hun stemmen op en huilden; en de koning ook en al zijn knechten huilden met een zeer groot geween.
37(Absalom dan vluchtte, en trok tot Thalmai, de zoon van Ammihur, koning van Gesur.) En hij droeg rouw over zijn zoon, al die dagen.
38Zo vluchtte Absalom, en trok naar Gesur; en hij was daar drie jaar.
39Toen verlangde de ziel van de koning David zeer om naar Absalom uit te trekken; want hij had zich getroost over Amnon, dat hij dood was.