2 Samuël 16
Lees 2 Samuël 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Ziba verkrijgt van David, door geschenken en valse aangifte, al het goed van zijn heer Mefiboseth, vers 1 enz. Simeï hoont en vervloekt David, 5. Abisaï wil het wreken, maar David neemt het zeer geduldig op, 9. Absalom komt met Achitofel te Jeruzalem, 15. Husai voegt zich behendig bij Absalom, 16. Absalom slaapt met de bijvrouwen van zijn vader in het openbaar, naar de raad van Achitofel, 20. die in die tijd hoog geacht was, 23.
1Als nu David een weinig van de hoogte was voortgegaan, ziet, toen ontmoette hem Ziba, Mefiboseths jongen, met een paar gezadelde ezels, en daarop tweehonderd broden, met honderd stukken rozijnen, en honderd stukken zomervruchten, en een leren zak wijn.
2En de koning zei tot Ziba: Wat zult u daarmee? En Ziba zei: De ezels zijn voor het huis van de koning, om op te rijden en het brood en de zomervruchten, om te eten voor de jongens; en de wijn, opdat de moeden in de woestijn drinken.
3Toen zei de koning: Waar is dan de zoon van uw heer? En Ziba zei tot de koning: Zie, hij blijft te Jeruzalem, want hij zei: Vandaag zal mij het huis van Israël het koninkrijk van mijn vader wedergeven.
4Zo zei de koning tot Ziba: Zie, het zal het uwe zijn alles wat Mefiboseth heeft. En Ziba zei: Ik buig mij neer, laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer koning!
5Als nu de koning David tot aan Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, van wie de naam Simeï was, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte.
6En hij wierp David met stenen, en ook alle knechten van de koning David, hoewel al het volk en al de helden aan zijn rechter- en aan zijn linkerhand waren.
7Zo nu zei Simeï in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, u, man van het bloed, en u, Belials man!
8JAHWEH heeft op u doen terugkomen al het bloed van Sauls huis, in plaats van wie u geregeerd hebt; nu heeft JAHWEH het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom, uw zoon; zie nu, u bent in uw ongeluk, omdat u een man van het bloed bent.
9Toen zei Abisai, de zoon van Zeruja, tot de koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer de koning vloeken? Laat mij toch overgaan en zijn kop wegnemen.
10Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want JAHWEH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan?
11Verder zei David tot Abisai en tot al zijn knechten: Zie, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want JAHWEH heeft het hem gezegd.
12Misschien zal JAHWEH mijn ellende aanzien; en JAHWEH zal mij goed vergelden voor zijn vloek, te deze dage.
13Zo ging David met zijn mensen op de weg; en Simeï ging al voort langs de zijde van de berg tegen hem over, en vloekte, en wierp met stenen van tegenover hem, en stoof met stof.
14En de koning kwam in, en al het volk, dat met hem was, moe zijnde; en hij verkwikte zich daar.
15Absalom nu en al het volk, de mannen van Israël, kwamen te Jeruzalem, en Achitofel met hem.
16En het gebeurde, als Husai, de Archiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zei: De koning leve, de koning leve!
17Maar Absalom zei tot Husai: Is dit uw goedertierenheid aan uw vriend? Waarom bent u niet met uw vriend getrokken?
18En Husai zei tot Absalom: Nee, maar die JAHWEH verkiest, en al dit volk, en alle mannen van Israël, diens zal ik zijn, en bij hem zal ik blijven.
19En ten andere, wie zou ik dienen? Zou het niet zijn voor het aangezicht van zijn zoon? Zoals ik voor het aangezicht van uw vader gediend heb, zo zal ik voor uw aangezicht zijn.
20Toen zei Absalom tot Achitofel: Geef onder u raad, wat zullen wij doen?
21En Achitofel zei tot Absalom: Ga in tot de bijvrouwen van uw vader, die hij gelaten heeft om het huis te bewaren; zo zal geheel Israël horen, dat u bij uw vader in kwade reuk bent gekomen, en de handen van allen, die met u zijn, zullen gesterkt worden.
22Zo spanden zij Absalom een tent op het dak; en Absalom ging in tot de bijvrouwen van zijn vader, voor de ogen van het hele Israël.
23En in die dagen was Achitofels raad, die hij raadde, als of men naar Gods woord gevraagd had; zo was alle raad van Achitofel, zo bij David als bij Absalom.