2 Samuël 17
Lees 2 Samuël 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De raad van Achitofel om David in der haast te overvallen wordt door Gods beschikking verworpen, en de raad van Husai gevolgd, vers 1 enz. Husai laat David dit weten, en raadt hem aan terstond verder te trekken, 15. Zo steekt David de Jordaan over, 22. Dit verdriet Achitofel zo zeer dat hij zichzelf ophangt, 23. David komt te Mahanaïm, en Absalom trekt over de Jordaan, en maakt Amasa tot krijgsoverste, 24. Davids goede vrienden voorzien hem te Mahanaïm van allerlei nooddruft, 27.
1Verder zei Achitofel tot Absalom: Laat mij nu twaalf duizend mannen uitzoeken, dat ik mij opmake en David deze nacht achterna jage.
2Zo zal ik over hem komen, daar hij moe en slap van handen is, en zal hem verschrikken, en al het volk, dat met hem is, zal vluchten; dan zal ik de koning alleen slaan.
3En ik zal al het volk tot u doen terugkeren; de man, die u zoekt, is zoals het terugkeren van allen; zo zal al het volk in vrede zijn.
4Dit woord nu was recht in Absaloms ogen, en in de ogen van alle oudsten van Israël.
5Maar Absalom zei: Roep toch ook Husai, de Archiet, en laat ons horen, wat hij ook zegt.
6En als Husai tot Absalom inkwam, zo sprak Absalom tot hem, zeggende: Zo heeft Achitofel gesproken; zullen wij zijn woord doen? Zo niet, spreek u.
7Toen zei Husai tot Absalom: De raad, die Achitofel op ditmaal geraden heeft, is niet goed.
8Verder zei Husai: U kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn, als een beer, die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een soldaat, en zal niet overnachten met het volk.
9Zie, nu heeft hij zich verstopt in een van de holen, of in een van de plaatsen. En het zal gebeuren, als er in het eerst sommigen onder hen vallen, dat een ieder, die het zal horen, dan zal zeggen: Er is een slag gebeurd onder het volk, dat Absalom navolgt.
10Zo zou hij, die ook een dapper man is, van wie het hart is als een leeuwenhart, te enen male smelten; want geheel Israël weet, dat uw vader een held is, en het dappere mannen zijn, die met hem zijn.
11Maar ik rade, dat in alle haast tot u verzameld worde geheel Israël, van Dan tot Ber-seba toe, als zand, dat aan de zee is, in menigte; en dat uw persoon medega in de strijd.
12Dan zullen wij tot hem komen, in een van de plaatsen, waar hij gevonden wordt, en hem gemakkelijk overvallen, zoals de dauw op de aardbodem valt; en er zal van hem, en van al de mannen, die met hem zijn, ook niet één worden overgelaten.
13En als hij zich in een stad zal begeven, zo zal geheel Israël koorden tot die stad aandragen, en wij zullen ze tot in de beek neertrekken, totdat ook niet één steentje daar gevonden worde.
14Toen zei Absalom, en alle man van Israël: De raad van Husai, de Archiet, is beter dan Achitofels raad. Maar JAHWEH had het geboden, om de goede raad van Achitofel te vernietigen, opdat JAHWEH het kwaad over Absalom bracht.
15En Husai zei tot Zadok en tot Abjathar, de priesters: Zo en zo heeft Achitofel Absalom en de oudsten van Israël geraden, maar zo en zo heb ik geraden.
16Nu dan, zendt haastig heen, en boodschapt David, zeggende: Overnacht deze nacht niet in de vlakke velden van de woestijn, en ook ga spoedig over; opdat de koning niet verslonden wordt, en al het volk, dat met hem is.
17Jonathan nu en Ahimaäz stonden bij de fontein Rogel; en een dienstmaagd ging heen en zei het hun aan; en zij gingen heen en zeiden het de koning David aan; want zij mochten zich niet zien laten, dat zij in de stad kwamen.
18Een jongen dan nog zag hen, en zei het Absalom aan; maar die beiden gingen haastig, en kwamen in het huis van een man te Bahurim, die een put had in zijn voorhof, en zij daalden daarin.
19En de vrouw nam en spreidde een deksel over het opene van de put, en strooide gort daarop. Zo werd de zaak niet bekend.
20Toen nu Absaloms knechten tot de vrouw in het huis kwamen, zeiden zij: Waar zijn Ahimaäz en Jonathan? En de vrouw zei tot hen: Zij zijn over dat waterriviertje gegaan. En toen zij hen gezocht en niet gevonden hadden, keerden zij weer naar Jeruzalem.
21En het gebeurde, nadat zij weggegaan waren, zo klommen zij uit de put, en gingen heen en boodschapten het de koning David; en zij zeiden tot David: Maak u op, en gaat haastig over het water, want zo heeft Achitofel tegen u geraden.
22Toen maakte zich David op, en al het volk, dat met hem was; en zij gingen over de Jordaan. Aan het morgenlicht ontbrak er niet tot één toe, die niet over de Jordaan gegaan was.
23Als nu Achitofel zag, dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij de ezel, en maakte zich op, en trok naar zijn huis in zijn stad, en gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich. Zo stierf hij, en werd begraven in het graf van zijn vader.
24David nu kwam te Mahanaim, en Absalom trok over de Jordaan, hij en alle mannen van Israël met hem.
25En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over het leger. Amasa nu was de zoon van een man, van wie de naam Jethra was, de Israëliet, die ingegaan was tot Abigal, dochter van Nahas, zus van Zeruja, Joabs moeder.
26Israël nu en Absalom sloegen hun kamp op in het land van Gilead.
27En het gebeurde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba van de kinderen van Ammon, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim,
28Beddewerk, en schalen, en aarden voorwerpen, en tarwe, en gerst, en meel, en geroosterd koren, en bonen, en linzen, ook geroosterd,
29En honing, en boter, en schapen, en koeienkazen, brachten tot David, en tot het volk, dat met hem was, om te eten, want zij zeiden: Dit volk is hongerig, en moe, en dorstig in de woestijn.