2 Samuël 19
Lees 2 Samuël 19 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Joab beweegt David door harde dreigementen ertoe zijn rouw over Absalom te verlaten, en zich aan het volk te vertonen, vers 1 enz. David wordt weer in zijn koninkrijk hersteld, en maakt Amasa krijgsoverste in de plaats van Joab, 13. Simeï bidt David om genade en verkrijgt die, 16. David geeft Mefiboseth, na het betoog van zijn onschuld, de helft van zijn goed terug, 24. wil de goede oude Barzillai met zich aan het hof nemen, maar omdat deze zich verontschuldigt, neemt hij diens zoon Chimham in zijn plaats mee, 31. De andere stammen twisten met die van Juda, vanwege hun haastigheid in het terugbrengen en begeleiden van de koning, 41.
1En Joab werd aangezegd: Zie, de koning weent, en bedrijft rouw over Absalom.
2Toen werd de verlossing op die dag het hele volk tot rouw; want het volk had op die dag horen zeggen: Het smart de koning over zijn zoon.
3En het volk kwam op die dag sluipend in de stad, zoals het volk zich wegsteelt, dat beschaamd is, wanneer zij in de strijd gevlucht zijn.
4De koning nu had zijn aangezicht toegewonden, en de koning riep met luide stem: Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!
5Toen kwam Joab tot de koning in het huis, en zei: U hebt vandaag beschaamd het aangezicht van al uw knechten, die uw ziel, en de ziel van uw zonen en van uw dochters, en de ziel van uw vrouwen, en de ziel van uw bijvrouwen vandaag hebben bevrijd;
6Liefhebbende die u haten, en hatende die u liefhebben; want u geeft vandaag te kennen, dat oversten en knechten bij u niets zijn; want ik merk vandaag, dat zo Absalom leefde, en wij vandaag allen dood waren, dat het dan recht zou zijn in uw ogen.
7Zo sta nu op, ga uit, en spreek naar het hart van uw knechten; want ik zweer bij JAHWEH, als u niet uitgaat, zo er een man deze nacht bij u zal overnachten! En dit zal u kwader zijn, dan al het kwaad, dat over u gekomen is van uw jeugd af tot nu toe.
8Toen stond de koning op, en zette zich in de poort. En zij lieten al het volk weten, zeggende: Zie, de koning zit in de poort. Toen kwam al het volk voor het aangezicht van de koning, maar Israël was gevlucht, ieder naar zijn tenten.
9En al het volk, in alle stammen van Israël, was onder zich twistende, zeggende: De koning heeft ons gered van de hand van onze vijanden en hij heeft ons bevrijd van de hand van de Filistijnen, en nu is hij uit het land gevlucht voor Absalom;
10En Absalom, die wij over ons gezalfd hadden, is in de strijd gestorven; nu dan, waarom zwijgt u van de koning weer te halen?
11Toen zond de koning David tot Zadok en tot Abjathar, de priesters, zeggende: Spreek tot de oudsten van Juda, zeggende: Waarom zou u de laatsten zijn, om de koning weer te halen in zijn huis? (Want de rede van het hele Israël was tot de koning gekomen in zijn huis.)
12U bent mijn broers; mijn been en mijn vlees bent u; waarom zou u dan de laatsten zijn, om de koning weer te halen?
13En tot Amasa zult u zeggen: Bent u niet mijn been en mijn vlees? God doe mij zo, en doe er zo toe, zo u niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht, altijd, in Joabs plaats.
14Zo neigde hij het hart aller mannen van Juda, als van een enige man; en zij zonden heen tot de koning, zeggende: Keer weer, u en al uw knechten.
15Toen keerde de koning weer, en kwam tot aan de Jordaan; en Juda kwam te Gilgal, om de koning tegemoet te gaan, dat zij de koning over de Jordaan voerden.
16En Simeï, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, die van Bahurim was, haastte zich, en kwam af met de mannen van Juda, de koning David tegemoet;
17En duizend man van Benjamin met hem; ook Ziba, de knecht van Sauls huis, en zijn vijftien zonen en zijn twintig knechten met hem; en zij trokken vaardig over de Jordaan, voor de koning.
18Als men nu de doorwaadbare plaats overstak, om het huis van de koning over te halen, en te doen, wat goed was in zijn ogen, zo viel Simeï, de zoon van Gera, neer voor het aangezicht van de koning, als hij over de Jordaan voer;
19En hij zei tot de koning: Mijn heer rekene mij niet toe de misdaad, en gedenke niet, wat uw knecht verkeerd gedaan heeft, op die dag, als mijn heer de koning uit Jeruzalem uitging, dat het de koning zich ter harte zou nemen.
20Want uw knecht weet het zeker, ik heb gezondigd; maar zie, ik ben vandaag gekomen, de eerste van het hele huis van Jozef, om mijn heer de koning tegemoet af te komen.
21Toen antwoordde Abisai, de zoon van Zeruja, en zei: Zou dan Simeï hiervoor niet gedood worden? Zo hij toch de gezalfde van JAHWEH gevloekt heeft.
22Maar David zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja! Dat u mij vandaag ten satan zou zijn? Zou vandaag iemand gedood worden in Israël? Want weet ik niet, dat ik vandaag koning geworden ben over Israël?
23En de koning zei tot Simeï: U zult niet sterven. En de koning zwoer hem.
24Mefiboseth, Sauls zoon, kwam ook af de koning tegemoet; en hij had zijn voeten niet schoon gemaakt, noch zijn knevelbaard beschoren, noch zijn kleren gewassen, van die dag af, dat de koning was weggegaan, tot die dag toe, dat hij met vrede wederkwam.
25En het gebeurde, als hij te Jeruzalem de koning tegemoet kwam, dat de koning tot hem zei: Waarom bent u niet met mij getrokken, Mefiboseth?
26En hij zei: Mijn heer koning, mijn knecht heeft mij bedrogen; want uw knecht zei: Ik zal mij een ezel zadelen, en daarop rijden, en tot de koning trekken, want uw knecht is kreupel.
27Daartoe heeft hij uw knecht bij mijn heer de koning vals aangedragen; maar mijn heer de koning is als een engel van God; doe dan, wat goed is in uw ogen.
28Want heel het huis van mijn vader is niet geweest, dan maar mensen van de dood voor mijn heer de koning; toch hebt u uw knecht gezet onder degenen, die aan uw tafel eten; wat heb ik dan meer voor gerechtigheid, en meer te roepen aan de koning?
29Toen zei de koning tot hem: Waarom spreekt u meer van uw zaken? Ik heb gezegd: U en Ziba, deelt het land.
30En Mefiboseth zei tot de koning: Hij neme het ook geheel weg, aangezien mijn heer de koning met vrede in zijn huis is gekomen.
31Barzillai, de Gileadiet, kwam ook af van Rogelim; en hij trok met de koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden.
32Barzillai nu was zeer oud, een man van tachtig jaren; en hij had de koning onderhouden, toen hij te Mahanaim zijn verblijf had; want hij was een zeer groot man.
33En de koning zei tot Barzillai: Trek u met mij over, en ik zal u bij mij te Jeruzalem onderhouden.
34Maar Barzillai zei tot de koning: Hoe veel zullen de dagen van de jaren van mijn leven zijn, dat ik met de koning zou optrekken naar Jeruzalem?
35Ik ben vandaag tachtig jaar oud; zou ik kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad? Zou uw knecht kunnen smaken, wat ik eet en wat ik drink? Zou ik meer kunnen horen naar de stem van de zangers en zangeressen? En waarom zou uw knecht mijn heer de koning verder tot een last zijn?
36Uw knecht zal maar een weinig met de koning over de Jordaan gaan; waarom toch zou mij de koning zulk een vergelding doen?
37Laat toch uw knecht terugkeren, dat ik sterve in mijn stad, bij het graf van mijn vader en van mijn moeder; maar zie, daar is uw knecht Chimham, laat die met mijn heer de koning overtrekken, en doe hem, wat goed is in uw ogen.
38Toen zei de koning: Chimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen, wat goed is in uw ogen; ja, alles, wat u op mij begeren zult, zal ik u doen.
39Toen nu al het volk over de Jordaan gegaan was, en de koning ook was overgegaan, kuste de koning Barzillai, en zegende hem; zo keerde hij weer naar zijn plaats.
40En de koning trok voort naar Gilgal, en Chimham trok met hem voort; en al het volk van Juda had de koning overgevoerd, als ook een gedeelte van het volk van Israël.
41En ziet, alle mannen van Israël kwamen tot de koning; en zij zeiden tot de koning: Waarom hebben u onze broers, de mannen van Juda, gestolen, en hebben de koning en zijn huis over de Jordaan gevoerd, en alle mannen van David met hem?
42Toen antwoordden alle mannen van Juda tegen de mannen van Israël: Omdat de koning ons na verwant is; en waarom bent u nu boos over deze zaak? Hebben wij dan enigszins gegeten van de kost van de koning, of heeft hij ons een geschenk geschonken?
43En de mannen van Israël antwoordden de mannen van Juda, en zeiden: Wij hebben tien delen aan de koning, en ook aan David, wij, meer dan u; waarom hebt u ons dan gering geacht, dat ons woord niet het eerste geweest is, om onze koning weer te halen? Maar het woord van de mannen van Juda was harder dan het woord van de mannen van Israël.