Bijbel3 Ezra

3 Ezra 1

Lees 3 Ezra 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Koning Josia regelt de dienst van de priesters en Levieten. 7 Houdt een zeer groot pascha. 25 Komt om in een onnodige strijd tegen de koning van Egypte, 32 zijn dood wordt zeer beweend, 34 zijn nakomelingen. 53 De stad en tempel van Jeruzalem, met het volk, worden uitgeroeid, 56 en de overgeblevenen van het volk worden naar Babylon gevoerd.

1EN Josia hield zijn Heere het Pascha te Jeruzalem, en slachtte het Pascha op de veertiende dag van de eerste maand;

2En stelde de priesters, die met lange kleren waren aangedaan, naar hun dagelijkse beurt in de tempel van de Heere.

3En hij zei tot de Levieten, die het heilige in Israël bedienden, dat zij zichzelf de Heere zouden heiligen, om de heilige ark van de Heere te zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon van David gebouwd had;

4En zei: U mag deze niet meer op de schouders dragen. En nu: dient de Heere uw God, en hebt acht op Israël zijn volk, en bereidt alles naar uw geslachten en stammen.

5Naar het voorschrift van David; de koning van Israël, en naar de heerlijke instelling van Salomo, zijn zoon; en staat in het heiligdom naar de verdeling van de oversten van uw vaders, de Levieten, die voor uw broers de Israëlieten dienen.

6En slacht ordelijk het Pascha, en bereidt de offergaven voor uw broers; en houdt het Pascha naar het bevel van de Heere, dat hij Mozes heeft gegeven.

7En Josia schonk het volk, dat daar bevonden werd, dertigduizend lammeren en bokken, en drieduizend kalveren.

8Dit werd uit de goederen van de koning, volgens zijn belofte, aan het volk en aan de priesters en de Levieten gegeven.

9Maar Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die Oversten van de tempel waren, schonken aan de priesters voor het Pascha, tweeduizendzeshonderd schapen, en driehonderd kalveren. Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn broer, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste over duizend, gaven de Levieten, voor het Pascha vijfduizend schapen, en zevenhonderd kalveren.

10En als deze dingen naar behoren gebeurden, zo stonden de priesters en Levieten, hebbende de ongezuurde broden naar hun stammen, en naar de verdeling van de oversten van de vaders, voor het volk,

11Om de Heere te offeren, volgens wat in het boek van Mozes geschreven was, en zo gebeurde het vroegoffer.

12En zij braadden het Pascha aan het vuur, zoals het behoorde, en offergaven kookten zij in koperen ketels en potten, met goede reuk;

13En brachten het voor al het volk. Daarna bereidden zij dat voor zichzelf, en voor de priesters, hun broers, de zonen van Aäron.

14Want de priesters offerden het vette, totdat de tijd verliep; en de Levieten bereidden het voor zichzelf, en voor de priesters, hun broers, de zonen van Aäron.

15En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens wat David bestemd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was.

16En de deurwachters stonden aan elke deur; en niemand mocht van zijn dagorde aftreden. Want hun broers, de Levieten, bereidden het voor hen.

17Zo werd voltooid alles wat tot de offergave van de Heere op die dag behoorde.

18Om het Pascha te houden, en offergaven te brengen op het altaar van de Heere, naar het bevel van de koning Josia.

19En de Israëlieten, die daar op die tijd gevonden werden, hielden het Pascha, en het feest van de ongezuurde broden, zeven dagen lang.

20En daar is zulk een Pascha niet gehouden in Israël, van de tijden van de profeet Samuël af.

21En geen koning van Israël heeft zulk een Pascha gehouden, als Josia gehouden heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden en geheel Israël, dat bevonden was in zijn woning te Jeruzalem.

22In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia is dit Pascha gehouden.

23En de werken van Josia zijn gericht geworden voor de Heere, met een hart vol van godvruchtigheid.

24En wat zijn zaken aanbelangt, die zijn beschreven in de vorige tijden, vanwege hen, die gezondigd hebben, en goddeloosheid bedreven hebben tegen de Heere, meer dan enig volk en koninkrijk, en die Hem bedroefd hebben; en de woorden van de Heere zijn opgestaan tegen Israël.

25En na al deze daden van Josia, is het gebeurd, dat Farao de koning van Egypte kwam, en oorlog verwekte te Karchamis bij de Eufraat gelegen; en Josia trok uit hem tegemoet.

26En de koning van Egypte zond tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, u, koning van Juda?

27Ik ben tegen u door God de Heere niet uitgezonden, want mijn strijd is op de Eufraat; en nu, de Heere is bij mij, en de Heere is haastig bij mij; wend u af van mij, en stel u niet tegen de Heere.

28En Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar bestond hem te bestrijden, niet lettende op de woorden van de profeet Jeremia, die hij hem zei uit de mond van de Heere.

29Maar hij stelde zich om te strijden tegen hem in het veld Megiddo, en de oversten kwamen af tegen de koning Josia.

30En de koning zei tot zijn knechten: Voer mij af uit de strijd, want ik ben zeer zwak. En zijn knechten voerden hem meteen af uit de slagorden.

31En hij klom op zijn tweede wagen, en als hij te Jeruzalem teruggebracht was, legde hij het leven af, en werd begraven in zijn vaderlijk graf.

32En in geheel Juda treurden zij over Josia, en Jeremia, de profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en daar is een bevel uitgegeven, dat dat altijd gebeuren zou door geheel het geslacht van Israël.

33Deze dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen van de koningen van Juda; en van elk van de daden van Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet van de Heere. En wat tevoren door hem gedaan was, en wat nu gebeurd is, wordt verhaald in het boek van de koningen van Israël en Juda.

34En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig jaar oud was.

35En hij was koning in Israël en Jeruzalem drie maanden. En de koning van Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem geen koning zou zijn.

36En legde het volk een geldstraf op van honderd talenten zilver, en een talent goud.

37En de koning van Egypte stelde zijn broer Jojakim tot koning over Juda en Jeruzalem;

38En verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar zijn broer Saracus nam hij, en bracht hem weer in Egypte.

39Jojakim nu was vijfentwintig jaar oud, toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Heere.

40Tegen hem nu trok op Nabuchodonosor, de koning van Babylon, en bond hem met een metalen band, en voerde hem weg naar Babylonië.

41En Nabuchodonosor nam van de heilige voorwerpen van de Heere, en bracht ze weg, en zette die in zijn tempel te Babylon.

42Het verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid en goddeloosheid staat beschreven in het boek van de tijden van de koningen.

43En Joakim zijn zoon, werd koning in zijn plaats, en hij was achttien jaar oud toen hij koning gemaakt werd;

44En regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Heere.

45En na een jaar schikte Nabuchodonosor, en liet hem brengen naar Babylon, samen met de heilige voorwerpen van de Heere;

46En maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig jaar oud, en regeerde elf jaren;

47En deed dat kwaad was voor de Heere; en vreesde niet voor de woorden, die door Jeremia de profeet gesproken waren uit de mond van de Heere.

48En hoewel hij een eed gedaan had aan de koning Nabuchodonosor, bij de naam van de Heere, zo werd hij meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad de voorschriften van de Heere, van de God van Israël.

49En ook de oversten van het volk en van de priesters bedreven vele goddeloosheden, ook bovenal de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de tempel van de Heere, die te Jeruzalem geheiligd was.

50En de God van hun vaders zond tot hen, door zijn boden om hen tot bekering te roepen, opdat Hij hen zou sparen, en zijn woning.

51Maar zij bespotten zijn boden, en op de dag dat de Heere tot hen sprak, belachten zij zijn profeten.

52Totdat hij vertoornd zijnde over zijn volk vanwege hun goddeloosheid, de koningen van de Chaldeeën tegen hen deed optrekken.

53Die doodden hun jongemannen met het zwaard zelfs in de omgang van hun heilige tempel, en spaarden noch jongeling, noch maagd, noch oude, noch jongen.

54Maar hij gaf hen allen in hun handen, en al de heilige voorwerpen van de Heere groot en klein, en de ark van de Heere, en de koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon.

55En verbrandden het huis van de Heere, en braken de muren van Jeruzalem, en haar torens verbrandden zij met vuur, en alles wat in haar heerlijk was, maakten zij te schande.

56En degenen, die overig waren van het zwaard, voerden zij naar Babylonië.

57En zij waren zijn en van zijn kinderen dienaren, totdat de Perzen regeerden, opdat vervuld zou worden het woord van de Heere, gesproken door de mond van Jeremia;

58Totdat het land aan zijn Sabbatten een welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting gerust had, totdat zeventig jaren vervuld waren.