Bijbel3 Ezra

3 Ezra 2

Lees 3 Ezra 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Cyrus, koning van Perzie, wordt door God opgewekt om de tempel weer op te bouwen, 5 en verschaft daartoe middelen. 11 Hij geeft de vaten terug die daarvandaan genomen waren. 25 Koning Artaxerxes verhindert de herbouw.

1ALS Cyrus over de Perzen regeerde, in het eerste jaar: opdat het woord van de Heere vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken had;

2Zo verwekte de Heere de geest van Cyrus, de koning van de Perzen, die liet uitroepen in geheel zijn koninkrijk, en mee door schriften, zeggende:

3Dit zegt Cyrus, de koning van de Perzen: De Heere van Israël, de allerhoogste Heere, heeft mij tot koning gemaakt over de hele aarde;

4En heeft mij bevolen, dat ik hem een huis zou bouwen te Jeruzalem, dat in Judea is.

5Als er dan iemand van u is uit zijn volk, de Heere zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis van de Heere van Israël; deze is de Heere, die te Jeruzalem woont.

6Zovelen dan, als er ongeveer die plaatsen wonen, en in die plaats zijn,

7Die zullen hem helpen, met goud en met zilver, en gaven; met paarden, en lastdieren, en met andere dingen, die men als geloften toebrengt in de tempel van de Heere, die te Jeruzalem is.

8Toen stonden op de voornaamsten uit de vaderlijke stammen van Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten, en al degenen, van wie de geest God verwekte om op te trekken, en het huis van de Heere te Jeruzalem te bouwen.

9En die rondom hen waren, hielpen hen met allerlei dingen, met zilver en met goud, met paarden, en lastdieren, en met zeer vele gewillige gaven van velen, van wie het gemoed daartoe verwekt is.

10En de koning Cyrus bracht tevoorschijn de heilige voorwerpen van de Heere, die Nabuchodonosor van Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet had.

11En Cyrus, de koning van de Perzen, die tevoorschijn gebracht hebbende, gaf deze over aan Mithridates, zijn schatmeester;

12En door deze werden zij overgeleverd aan Schesbatzar, de stadhouder van Judea.

13Het getal nu van deze was: duizend gouden drankofferschalen, duizend zilveren drankoffer-schalen, negenentwintig zilveren rookpannen, dertig gouden bekers, tweeduizendvierhonderdendertig zilveren bekers, en andere voorwerpen tot duizend.

14Al de voorwerpen dan, die overgebracht werden, zo gouden als zilveren, zijn vijfduizend, vierhonderdennegenenzestig.

15En deze zijn teruggebracht door Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van Babylonië te Jeruzalem kwamen.

16Maar ten tijde van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven aan hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus en Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en Samellius de schrijver, en de overigen die met hen bestemd waren, en te Samarië en in andere plaatsen woonden, deze ondergeschreven brief:

17De koning Artaxerxes onze Heer; uw dienaren Rathymus, gesteld over de voorvallende zaken, en Samellius de schrijver, en de anderen van hun raad, en rechters, die in Celo-Syrië en Fenicië zijn;

18Het zij nu de Heer koning bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons teruggekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, een stad die afvallig en boos is, hun straten bouwen, en hun muren herstellen, en de tempel weer oprichten.

19Als dan deze stad opgebouwd wordt, en haar muren voltooid worden, zo zullen zij niet alleen geen belasting willen geven, maar zullen ook de koningen weerstaan.

20Omdat men dan in het werk is met wat de tempel betreft, zo heeft ons goed gedacht, dit niet te laten liggen.

21Maar de Heer koning dat te laten weten, opdat, zo het u goeddunkt, in de boeken van uw vaders nagelaten, onderzoek gedaan wordt.

22En u zult in de gedenkboeken, daarover geschreven, vinden, en verstaan, dat die stad afvallig was, en aan koningen en steden moeite veroorzaakt heeft;

23En dat de Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld; om welke oorzaken die stad ook verwoest is.

24Zo doen wij nu u Heer koning weten, dat als deze stad weer gebouwd wordt, en haar muren weer opgericht, u geen toegang meer zult hebben in Celo-Syrië en Fenicië.

25Toen schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen bestemd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden, wat volgt:

26Ik heb de brief, die u aan mij gezonden hebt, gelezen, en heb daarop bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden, dat deze stad van ouds af zich tegen de koningen heeft gesteld;

27En dat de mensen afvallig geweest zijn, en oorlogen daarin gevoerd hebben, en dat te Jeruzalem machtige en strenge koningen hebben geregeerd, die ook belastingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië opgelegd hebben.

28Nu dan, zo heb ik bevolen, dat men deze mensen zal verhinderen hun stad te bouwen; en dat men daarop acht hebbe, dat niets verder daarin worde gedaan.

29En dat de boosheid niet verder ga, om de koningen moeite aan te doen.

30Toen nu wat van de koning Artaxerxes geschreven werd, was gelezen, zo spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en die met hen bestemd waren samen, en trokken met haast naar Jeruzalem, met een leger van ruiters en voet volk.

31En begonnen degenen, die daar bouwden, te verhinderen. Zo stond de bouw van de tempel te Jeruzalem stil, tot het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië.