Bijbel3 Ezra

3 Ezra 4

Lees 3 Ezra 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De tweede verklaart dat de koning het sterkste is. 13 De derde, die Zerubbabel was, dat de vrouwen het sterkste zijn, 33 en de waarheid, 41 welke spreuk de wijste geoordeeld wordt, 47 waarom hij van koning Darius brieven verkrijgt om Jeruzalem opnieuw te mogen bouwen. 58 Waarover hij de Heere dankt, 61 en dit aan zijn broeders bekendmaakt.

1TOEN begon de tweede te spreken, die gezegd had van de sterkte van de koning, en zei:

2O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles wat daarin is?

3De koning nu overtreft en overheerst die, en regeert die, en alles wat hij hun zegt, dat gehoorzamen zij.

4Als hij hun zegt dat zij de één de anderen zullen oorlog aandoen, zij doen het; en als hij uitzendt tegen hun vijanden, zij gaan; zij maken de bergen, en de muren, en de torens met de grond gelijk;

5Zij slaan dood, en worden dood geslagen, en het woord van de koning zullen zij niet overtreden; en als zij overwinnen zo brengen zij alles tot de koning: wat zij geroofd hebben en alle andere dingen.

6En allen die in de oorlog niet gaan noch oorlog voeren, maar het land bouwen, wanneer ze gezaaid hebben, en nu maaien, zo brengen zij de koning belasting; en de één dwingt de ander om de koning belasting toe te brengen, daar die maar één alleen is.

7Als hij zegt dat men dode, zo doden zij; als hij zegt dat men aflate, zo laten zij af.

8Zegt hij dat men sla, zo slaan zij; zegt hij dat men verwoeste, zo verwoesten zij; zegt hij dat men bouwe, zo bouwen zij.

9Zegt hij dat men afbreke, zo breken zij af; zegt hij dat men plante, zo planten zij;

10En al zijn volk, en zijn heerlegers zijn hem gehoorzaam.

11Daarenboven zit hij neer, eet hij, drinkt hij, slaapt hij, zo hebben zij de wacht ringswijze rondom hem, en niemand durft weggaan, noch zijn eigen werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam.

12O mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste, die men zo gehoorzaamt? en hij zweeg stil.

13De derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd, namelijk Zerubabel, begon ook te spreken:

14O mannen, niet de grote koning, noch de veelheid van de mensen, noch de wijn is de sterkste.

15Wie is dan degene die over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit haar geboren.

16En zij hebben zelfs degenen opgevoed, die de wijngaarden planten, uit welke de wijn voortkomt.

17En zij zelf maken de kleding van de mensen, en zij maken wat heerlijk is voor de mensen, en de mensen kunnen zonder de vrouwen niet zijn.

18En als zij goud en zilver en allerlei fraaie zaken verzameld hebben, en een vrouw zien die schoon is van gedaante en van gestalte,

19Zo verlaten zij dat alles, en wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte tot haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid.

20Een mens verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed heeft, en zijn eigen land, en hangt zijn eigen vrouw aan.

21En bij de vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder, noch zijn land.

22Ook hieruit moet u weten, dat de vrouwen u regeren.

23En werkt u niet, en arbeidt u niet? en geeft u niet alles, en brengt het aan de vrouw? Ja een man neemt zijn zwaard, en gaat heen op de wegen te liggen, en te roven en te stelen, en op de zee en rivieren te varen;

24En ziet een leeuw, en gaat in duisternis; en wanneer hij gestolen, en geroofd, en gestroopt heeft, zo brengt hij dat tot zijn geliefde.

25En een man heeft zijn eigen vrouw liever dan zijn vader en zijn moeder.

26En velen zijn van hun zinnen beroofd vanwege de vrouwen, en zijn om harentwil tot slaven geworden.

27En velen zijn omgekomen, en zijn gewurgd, en hebben gezondigd vanwege de vrouwen.

28En nu, gelooft u mij niet? Is de koning niet groot in zijn macht? en vrezen niet alle landen hem aan te raken?

29Toch heb ik hem gezien en Apame, de dochter van de wondergroten Bartacus, de bijvrouw van de koning, die aan de rechterhand van de koning zat,

30En zij nam de kroon van het hoofd van de koning, zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand.

31En bovendien zag haar de koning met open mond aan, en als zij hem aanlachte, zo lachte hij ook; en als zij op hem gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden.

32O mannen, hoe zijn dan de vrouwen niet sterk, omdat zij, zo doen?

33Toen zagen de koning en de groten op elkaar. En hij begon te spreken van de waarheid.

34O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is de aarde, en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij draait in de cirkel van de hemel, en zij keert weer in haar plaats op één dag.

35Is die niet groot die zulke dingen doet? Maar de waarheid is groot en sterker dan allen.

36De hele aarde roept de waarheid aan, en de hemel looft dezelfde, en al de werken worden bewogen en beven, en bij haar is geen onrecht.

37De wijn is onrecht, in de koning is onrecht, in de vrouwen is onrecht, in alle kinderen van de mensen is onrecht, en al zulk soort hun werken zijn onrecht; en daar is in hen geen waarheid, en in hun ongerechtigheid zullen zij vergaan.

38Maar de waarheid blijft en is sterk in de eeuwigheid; en zij leeft en heerst in alle eeuwigheid.

39En bij haar is geen aanneming van de persoon; zij maakt geen onderscheid, maar zij doet wat recht is, en onthoudt zich van al wat onrecht en boos is, en allen hebben zij een welbehagen in haar werken.

40En in haar oordeel is geen onrecht, en zij is de kracht, en het koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid, van alle eeuwen. Geprezen zij de God van de waarheid!

41En hij zweeg stil. En al het volk riep toen, en sprak toen: Groot is de waarheid, en zij is sterk bovenal.

42Toen zei de koning tot hem, eis wat u wilt ja meer dan er geschreven is, en wij zullen het u geven, daar u wijzer bevonden bent dan de anderen, en u zult naast mij zitten, en mijn bloedvriend genoemd worden.

43Toen zei hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die u beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag waarop u uw koninkrijk ontvangen hebt.

44En dat u al de voorwerpen, die uit Jeruzalem genomen zijn, terug zou zenden, die Cyrus afgezonderd heeft, toen hij beloofde Babylon te verstoren, en hij beloofde die weer daarheen te zenden.

45En u hebt beloofd de tempel te bouwen, die de Idumeeërs verbrand hebben, toen Judea door de Chaldeeën is verwoest.

46En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geëist wordt. Ik bid dan dat u de belofte volbrengt, die u de Koning van de hemel met uw mond hebt beloofd te volbrengen.

47Toen stond de koning Darius op, en kuste hem; en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, en landvoogden en krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem te bouwen.

48En aan al de landvoogden in Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef hij brieven, dat zij cederhout zouden overbrengen van de berg Libanon naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen.

49En hij schreef aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk in Judea opgingen vanwege de vrijheid, dat geen machtige, noch landvoogd, noch vorst, noch rentmeester in hun deuren zou ingaan.

50En dat het hele land, dat zij bewoonden, voor hen zonder belasting zou zijn: en dat de Idumeeërs de plaatsen van de Joden zouden verlaten, die zij ingenomen hadden;

51En tot de bouw van de tempel jaarlijks twintig talenten zouden geven, totdat die zou voltooid zijn.

52En dat zij, om op het altaar, naar het gebod dat zij hadden, dagelijks brandoffers te offeren, nog tien andere talenten jaarlijks zouden opbrengen.

53En dat al degenen, die van Babylonië zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid zouden hebben, zowel zij als hun nakomelingen, met al de priesters die mee zouden opgaan.

54En hij schreef ook van het onderhoud van de priester, en van de priesterlijke kleding waarin zij dienst doen.

55En hij schreef, dat men de Levieten onderhoud zou geven, tot de dag toe dat het huis van God zou voltooid, en Jeruzalem zou herbouwd zijn.

56En schreef, dat men allen, die de stad bewaarden, hun deel en soldij zou geven.

57En hij zond weer al de voorwerpen, die Cyrus uit Babylonië afgezonderd had, en al wat Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden.

58En toen de jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de hemel tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning van de hemel, zeggende:

59Van U is de overwinning, en van U is de wijsheid, en Uw is de heerlijkheid, en ik ben Uw dienaar.

60Geloofd bent U, die mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank U, o Heere van onze vaders.

61En hij nam de brieven, en ging heen en trok naar Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn broers.

62En zij loofden de God van hun vaders, dat Hij hun verkwikking en verlossing gegeven had.

63Om op te trekken en Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover zijn naam aangeroepen werd. En zij bedreven vreugde met snarenspel en vrolijkheid, zeven dagen lang.