3 Ezra 6
Lees 3 Ezra 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De profeten vermanen het volk de tempel te bouwen. 2 Wat door Zerubbabel en Jesua aangevangen wordt. 3 Doch Sisinnes tracht dat te verhinderen bij koning Darius, 27 die het in alle opzichten bevordert, 32 en dreigt allen te straffen die het zouden willen verhinderen.
1IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde de profeet Haggai en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God van Israël.
2Toen stond op Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en begonnen weer te bouwen het huis van de Heere, dat te Jeruzalem is, omdat de profeten van de Heere bij hen waren, en hen hielpen.
3In deze tijd kwam tot hen Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en zeiden tot hen:
4Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en dat dak, en al deze andere dingen te voltooien, en wie zijn de bouwers die dit opmaken?
5En nadat het onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo hadden de oudsten van de Joden genade van de Heere, en werden niet verhinderd in de bouw, voordat men Darius hiervan zou doen weten, en men antwoord zou bekomen.
6Het afschrift nu van de brief, die hij aan Darius heeft geschreven en gezonden, is dit:
7Sisinnes, de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan, en hun metgezellen die in Syrië en Fenicië oversten zijn, wensen Darius de koning voorspoed.
8Het zij alles bekend aan onze heer de koning, dat wij aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan zijnde in de stad Jeruzalem, bevonden hebben, dat de oudsten van de Joden, die gevangen zijn geweest,
9In de stad Jeruzalem een nieuw en groot huis bouwden voor de Heere met gehouwen kostelijke stenen, en houtwerk in de muren gelegd;
10En dat deze werken met vlijt gebeuren, en dat het werk gelukkig voortgaat onder hun handen, en hetzelfde in grote heerlijkheid, en zorgvuldigheid wordt volbracht.
11Toen vroegen wij deze oudsten, en zeiden: Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en de grond van deze werken te leggen?
12En wij hebben hun dit gevraagd, opdat wij het u zouden bekend maken, en u mogen aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk afgeëist de namen van degenen die hun oversten zijn.
13Maar zij hebben ons geantwoord en gezegd: Wij zijn kinderen van de Heere, die de hemel en de aarde heeft geschapen,
14En dit huis is van over zeer vele jaren gebouwd door een groot en machtig koning van Israël, en is voltooid.
15En daar onze vaders tegen de Heere van Israël, die in de hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf Hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning van de Chaldeeën,
16Die dit huis afgebroken en verbrand hebben en hebben het volk als gevangene naar Babylon weggevoerd.
17Maar in het eerste jaar dat Cyrus over het land van Babylonië regeerde, heeft de koning Cyrus geschreven, dat men dit huis weer zou bouwen.
18En de heilige gouden en zilveren voorwerpen, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis van God dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weer uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd.
19En hem werd bevolen, dat hij al die voorwerpen zou wegnemen, en zetten in de tempel te Jeruzalem, en dat de tempel van de Heere zou gebouwd worden op zijn plaats.
20Toen nu Sabanasser daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis van de Heere te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd het gebouwd, en heeft nog zijn voltooiing niet gekregen.
21Nu dan, als het u goeddunkt heer koning, zo laat onderzocht worden in de koninklijke boekkassen van Cyrus;
22En als bevonden wordt, dat de opbouw van het huis van de Heere te Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is gebeurd, en het de koning onze heer goeddunkt, zo antwoorde hij ons daarvan.
23Toen heeft de koning Darius bevolen, dat men zou onderzoeken in de boekkassen die te Babylon zijn; en daar is bevonden, te Ekbatana in de stad, die in het land van Medië is, een zekere plaats, waarin deze dingen geschreven waren;
24In het eerste jaar als Cyrus regeerde, gebood de koning Cyrus, dat men het huis van de Heere te Jeruzalem zou bouwen, waar men offergaven doen zou door steeds vuur.
25Daarvan zou de hoogte zestig ellen zijn, en de breedte zestig ellen, met drie wanden van gehouwen stenen, en een wand van nieuw hout van dat land, en dat men de onkosten zou geven uit het huis van koning Cyrus.
26En de heilige voorwerpen van het huis van de Heere, zowel gouden als zilveren, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis van de Heere dat te Jeruzalem was, en naar Babylon gebracht had, die zou men weer brengen in het huis van de Heere te Jeruzalem, daar zij gesteld waren geweest, opdat ze daar weer gesteld mochten worden.
27Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die in Syrië en Fenicië waren bestemd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht van de Heere en overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten van de Joden, dit huis van de Heere zouden laten bouwen, op zijn plaats.
28En ik ook, schreef hij, heb daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen, en dat men wel toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze, totdat het huis van de Heere voltooid is.
29Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië en Fenicië met vlijt een bijleg gegeven worde aan de landvoogd Zerubabel, voor deze mensen, tot een offergave voor de Heere, namelijk tot stieren, rammen en lammeren;
30Evenzo ook koren, en zout, en wijn, en olie, steeds alle jaren; zoals dan de priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen verklaren dat dagelijks gebezigd wordt en dit zonder vertraging.
31Opdat drankoffers geofferd worden aan de hoogste God, voor de koning, en zijn kinderen; en dat zij bidden voor hun lang leven.
32Daartoe zal men bevelen, zo wie overtreden zal, of teniet doen iets van wat aangeschreven is, dat men een balk zal nemen van zijn eigen huis en hem daaraan zal hangen, en dat zijn goederen aan de koning zullen vervallen zijn.
33Daarom ook, de Heere, van wie de naam daar aangeroepen wordt, doe teniet een ieder koning en volk, dat zijn hand zal uitsteken, om te verhinderen of te beschadigen dit huis van de Heere te Jeruzalem.
34Ik, koning Darius, heb goedgevonden, dat deze dingen vlijtig zullen nagekomen worden.