3 Ezra 8
Lees 3 Ezra 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Esdras de Schriftgeleerde komt te Jeruzalem, met opdracht van koning Artaxerxes dat men Jeruzalem zou bouwen. 10 Inhoud van de brief. 31 De namen en het aantal van hen die met hem kwamen, 61 en zijn reis. 71 Hij klaagt over de zonden van het volk, 97 en laat de priesters zweren dat zij hun vreemde vrouwen zullen verlaten.
1EN na deze, als Artaxerxes, de koning van de Perzen, regeerde, trok heen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van Sallem,
2De zoon van Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon van Amaria, de zoon van Orias, de zoon van Bokka, de zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste priester.
3Deze Ezra trok heen uit Babylonië, als een schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door de God van Israël was gegeven.
4En de koning had hem heerlijkheid gegeven, omdat hij genade bij hem vond, in alles wat hij van hem begeerde.
5En met hem trokken naar Jeruzalem sommigen op, uit de Israëlieten, en uit de priesters en Levieten, en uit de heilige zangers en deurwachters, en dienaren van het heiligdom.
6In het zevende jaar als Artaxerxes regeerde in de vijfde maand, (dit is het zevende jaar van de koning) zo gingen zij uit Babylonië, op de nieuwe maan van de eerste maand,
7En kwamen te Jeruzalem onder hem, volgens de voorspoedige reis, die hun van de Heere was gegeven.
8Want Ezra had grote wetenschap bekomen, zodat hij niets naliet van de dingen die van de wet van de Heere waren, en van de geboden om geheel Israël al de rechten en gerichten te leren.
9Hierbij kwam ook het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester van de wet van de Heere, waarvan het afschrift is wat volgt:
10De koning Artaxerxes wenst Ezra, de priester en leermeester van de wet van de Heere, voorspoed.
11Daar ik voorgenomen heb goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren uit het Joodse volk, en de priesters, en de Levieten in ons koninkrijk zijnde, met u zullen mogen reizen naar Jeruzalem.
12Zo velen als er dan begerig zijn, dat zij mee trekken; zoals het mij, en mijn zeven vrienden mijn raadsheren heeft goedgedacht:
13Opdat zij wat in Judea en Jeruzalem is bezoeken, en doen volgens wat in de wet van de Heere vervat is.
14En zij aan de Heere van Israël gaven toebrengen, die ik en mijn vrienden voor Jeruzalem beloofd hebben; en al het goud en zilver, dat zou mogen bevonden worden in het land van Babylonië, dat men dat weer brenge aan de Heere te Jeruzalem:
15Met wat dat van uw volk gegeven is tot de tempel van de Heere, van hun God, die te Jeruzalem is; en dat men vergadere het goud en het zilver tot stieren, en rammen, en lammeren, en wat daartoe behoort.
16Opdat men aan de Heere offergaven offere op het altaar van de Heere, van hun God, die te Jeruzalem is;
17En alles wat u en uw broers zult willen doen met het goud en zilver, volbrengt dat naar de wil van uw God.
18En de heilige voorwerpen van de Heere, die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel van uw God,
19Die zult u geven uit de schatkamer van de koning.
20En ik Artaxerxes, koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië en Fenicië zijn gesteld,
21Dat zo wat Ezra, de priester en leermeester, van de wet van de hoogste God zal aanschrijven, die zij hem vlijtig zullen geven,
22Tot honderd talenten zilver toe, evenzo tot honderd mudden koren, en honderd metreten wijn, en andere, dingen met menigte.
23Alles worde zorgvuldig volbracht naar de wet van God, voor de hoogste God; opdat de toorn van God niet kome over het koninkrijk van de koning, en zijn zonen.
24En u wordt ook geboden, dat geen priesters, noch Levieten, noch heilige zangers, noch deurwachters, noch dienaren van de tempel, noch schriftgeleerden enige belasting of andere lasten worden opgelegd.
25Noch dat iemand macht hebbe hun iets op te leggen.
26En u Ezra, naar de wijsheid van God, stel tot rechters en scheidslieden, opdat zij gericht houden in geheel Syrië en Fenicië, al degenen die de wet van uw God verstaan, leer hun, die haar niet verstaan.
27En al die de wet van uw God en van de koning overtreden, zullen streng worden gestraft, hetzij met de dood, hetzij met andere lijfstraffen, of met geldboete, of met wegvoering.
28En Ezra de schriftgeleerde zei: Geloofd zij alleen de Heere de God van mijn vaders, die dit in het hart van de koning heeft gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is, verheerlijken zou.
29En die mij heeft geëerd gemaakt voor de koning en zijn raadsheren, en al zijn vrienden, en zijn groten.
30En ik werd welgemoed, naar de hulp van de Heere, van mijn God; en verzamelde mannen uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken.
31En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke geslachten en verdelingen van de heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië, onder het rijk van de koning Artaxerxes.
32Uit de kinderen Pinehas: Gerson; uit de kinderen van Ithamar: Gamaliël; uit de kinderen van David: Lattus, de zoon van Sechenia.
33Uit de kinderen van Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig mannen.
34Uit de kinderen van Faät Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen.
35Uit de kinderen van Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen.
36Uit de kinderen van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen.
37Uit de kinderen van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit de kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen.
38Uit de kinderen van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf mannen.
39Uit de kinderen van Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig mannen.
40Uit de kinderen van Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen.
41Uit de kinderen van Astath, Joannes Aratan en met hem honderdentien mannen.
42Uit de kinderen van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen.
43En ik verzamelde hen aan de rivier genoemd Thera, en wij sloegen daar ons leger drie dagen lang op, en ik overzag ze.
44En uit de priesters en uit de Levieten niemand daar vindende,
45Zond ik tot Eleazar, en Iduël, en Maja, en Masma, en Alnatha, en Jamla, en Joribon, Nathan, Ennathan, Zacharia en Mosollamon de oversten, en geleerden.
46En ik zei hun, dat zij zouden komen tot Loddeus de overste, die daar was in de plaats van de schatkamer,
47Hun bevelende, dat zij Loddo en zijn broers, en de schatbewaarders in die plaats zouden aanzeggen, dat zij ons enige zouden toezenden, die het priesterschap in het huis van onze God mochten bedienen.
48En zij brachten tot ons, naar de sterke hand van onze Heere, enige verstandige mannen uit de kinderen van Moöli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Asebebia en zijn zonen, en zijn broers, zijnde achttien;
49En Asebia, en Annu, en Hosea zijn broer, uit de kinderen van Chanun, en hun zonen, twintig mannen;
50En van degenen, die de tempel dienden, die David en de oversten gegeven hadden tot het werk van de Levieten, tweehonderdentwintig dienaren van de tempel, van deze aller namen zijn schriftelijk aangetekend.
51En ik beval daar een vasten aan de jongemannen voor de Heere: om van hem te verzoeken een goede reis voor ons, en voor degenen die bij ons waren, namelijk onze kinderen en ons vee.
52Want ik schaamde mij van de koning voetknechten en ruiters te begeren, en ander geleide tot verzekering tegen onze tegenstanders.
53Want wij hadden tegen de koning gezegd, dat de sterkte van onze Heere was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid.
54En wij baden al deze dingen van de Heere, en wij vonden Hem zeer genadig.
55En ik zonderde van de oversten van de priesters twaalf mannen af, en Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broers nog twaalf mannen.
56En ik woog hun het zilver en het goud, en de heilige voorwerpen van het huis van onze Heere, die de koning, en zijn raadsheren, en de groten, en het hele Israël gegeven hadden.
57En als ik het gewogen had, heb ik hun overgegeven zeshonderdvijftig talenten zilver, en honderd talenten aan gouden voorwerpen, en honderd talenten aan goud;
58En twintig gouden schalen, en twaalf koperen voorwerpen van fijn koper, blinkende zoals goud.
59En ik zei tot hen: U bent ook heilig voor de Heere, en de voorwerpen zijn heilig, en het goud, en het zilver, het zijn geloften van de Heere, namelijk van de Heere van onze vaders.
60Zo waakt, en bewaart ze, totdat u ze overlevert aan de oversten van de priester en Levieten, en aan de oversten van de vaderlijke huizen van Israël te Jeruzalem, in de cellen van het huis van onze God.
61En deze priesters en Levieten, die dit zilver, en goud, en de voorwerpen tot zich genomen hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten die in de tempel van de Heere.
62En wij trokken weer op van de rivier Thera, de twaalfde dag van de eerste maand, totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, naar de sterke hand van onze Heere, die over ons was.
63En hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en als wij daar drie dagen geweest waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver en goud overgeleverd in het huis van de Heere, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester.
64En met hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden het alles over naar het getal en gewicht;
65En het hele gewicht daarvan werd opgeschreven op dat moment.
66En die uit de gevangenis aangekomen waren, offerden tot offergaven voor de Heere, de God van Israël, twaalf stieren, voor het hele Israël,
67Zesennegentig rammen, tweeënzeventig lammeren, twaalf bokken tot dankoffer: alles tot een offergave voor de Heere;
68En gaven de bevelen van de koning over, aan de rentmeesters van de koning, en aan de landvoogden van Celo-Syrië en Fenicië; en zij verheerlijkten het volk en de tempel van de Heere.
69En als deze dingen volbracht waren, zo kwamen de oversten tot mij, en zeiden: Het volk van Israël, en de oversten, en de priesters, en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de vreemde volken van dit land, en van hun onreinheden:
70Van de volken van de Kanaänieten, en Chetteeërs, en Feresieten en Jebusieten, en Moabieten, en Egyptenaars en Idumeeërs.
71Want zij hebben zich ten huwelijk gevoegd met dochters van deze volken, zij zelf namelijk en hun zonen; en het heilige zaad is vermengd geworden onder de vreemde volken van het land; en aan deze zonde zijn de oversten en de groten van het begin van deze zaak deelachtig geworden.
72En zodra als ik dit hoorde, verscheurde ik mijn kleren, en mijn heilige rok; en ik plukte mijn haar van mijn hoofd, en van mijn baard, en ik zat vol gedachten en zeer treurig.
73En tot mij zijn verzameld allen die toen bewogen werden door het woord van de Heere, de God van Israël, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe.
74En ik stond op van het vasten, hebbende de kleren verscheurd, en de heilige rok; en ik knielde neer, mijn handen uitstrekkende tot de Heere, zei ik:
75Heere, ik ben beschaamd, en bevreesd voor Uw aangezicht:
76Want onze zonden zijn vermenigvuldigd boven onze hoofden, en onze misdaden zijn verhoogd tot de hemel toe, zelfs van de tijden van onze vaders.
77En wij zijn in grote zonde tot deze dag toe.
78En om onze zonde, en om de zonden van onze vaders, zijn wij met onze broers en met onze koningen, en met onze priesters overgegeven met schande, aan de koningen van de aarde, tot zwaard, en gevangenis, en roof, tot op de huidige dag.
79En nu is ons een weinig genade gebeurd van de Heere, om ons een wortel over te laten, en een naam, in de plaats van Uw heiligdom:
80En om ons een licht te ontdekken in het huis van de Heere van onze God, en om ons voedsel te geven in de tijd van onze dienstbaarheid.
81Ja, toen wij knechten waren, zo zijn wij niet verlaten door de Heere onze God, maar Hij heeft ons in genade gesteld voor de koningen van de Perzen, om ons voedsel te geven.
82En om de tempel van onze Heere te verheerlijken, en het verwoeste Sion op te richten, en om ons een vastheid te geven in Judea en Jeruzalem.
83En nu, Heere, wat zullen wij zeggen, omdat wij dit hebben? want wij hebben Uw geboden overtreden, die U ons gegeven hebt door de dienst van Uw knechten de profeten, zeggende:
84Het land waarin u komt om dat tot een erfenis te hebben, is een land, dat door de bezoedeling van de vreemde volken van het land bezoedeld is, want zij hebben dat met hun onreinheid vervuld.
85En nu zult u uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters zult u niet nemen voor uw zonen.
86En u zult niet zoeken te eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat u machtig wordt en eet het goede van het land, en het uw kinderen doet erven in eeuwigheid.
87Maar al wat ons overkomt, gebeurt vanwege onze boze werken en onze grote zonden.
88Want U, Heere, die onze zonden hebt verlicht, hebt ons zulk een wortel in het land gegeven, en wij zijn weer achteruit gekeerd, om Uw wet te overtreden, zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de volken van het land.
89Zou U dan over ons niet vertoornd zijn voordat U ons uitgeroeid hebt? voordat U noch onze wortel, noch zaad, noch naam hebt overgelaten?
90Heere van Israël, U bent waarachtig; wij zijn tot een wortel overgelaten op de huidige dag.
91Zie, wij zijn nu voor U in onze misdaden: want wij kunnen vanwege deze niet langer voor U bestaan.
92En toen Ezra bad, en de zonden bekende, en huilde, liggende voor de tempel op de aarde, zo is tot hem verzameld een zeer grote menigte uit Jeruzalem, mannen, en vrouwen, en jongemannen, want het huilen was groot onder de menigte.
93En Jechonia, de zoon van Jeëli, uit de Israëlieten riep en zei: Ezra, wij hebben gezondigd tegen de Heere, wij hebben vreemde vrouwen ten huwelijk genomen, uit de volken van het land.
94En nu, geheel Israël is in twijfel, maar laat daarover door ons een eed gebeuren voor de Heere, dat wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen uitdrijven.
95Zoals u zal goeddunken, en al degenen die de wet van de Heere gehoorzaam zijn; sta op, en doe zo.
96Want u komt deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij te doen.
97En Ezra stond op, en beëedigde de oversten van de priester en Levieten van geheel Israël, dat zij hiernaar doen zouden, en zij zwoeren.