3 Ezra 9
Lees 3 Ezra 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Esdras verzamelt al het volk te Jeruzalem, 10 dat belooft zijn vreemde vrouwen te zullen verlaten. 20 De namen en het aantal van hen die dat deden. 38 De wet van Mozes wordt door Esdras gelezen en verklaard voor de hele gemeente, 50 die zich daarover verheugt en een feestdag houdt.
1EN Ezra opstaande, van de voorhof van de tempel, begaf zich in de kamer van Joannan de zoon van Eliasis.
2En bleef daar, en at geen brood en dronk geen water, treurig zijnde over de grote overtredingen van de menigte.
3En daar werd een aankondiging gedaan door geheel Judea en Jeruzalem, aan allen die uit de gevangenis waren, opdat zij binnen Jeruzalem bijeen zouden komen,
4En dat hun, die binnen twee of drie dagen niet zouden komen, naar het oordeel van de overste ouderlingen, hun vee zou verbannen worden, en zij zelf zouden afgescheiden worden van de menigte van de gevangenis.
5En zij verzamelden allen, die uit de stammen van Juda en Benjamin waren, binnen drie dagen te Jeruzalem; dit was de negende maand, en de twintigste dag van de maand.
6En de hele menigte zat op de grote voorplaats van de tempel, bevende van koude vanwege de aanstaande winter.
7En Ezra stond op, en zei tot hen: U hebt onrecht gedaan, en hebt buitenlandse vrouwen ten huwelijk genomen, om zonden op Israël te leggen.
8Maar nu, bekent het, en geeft heerlijkheid aan de Heere, de God van onze vaders.
9En doet zijn wil, en scheidt u van de volken van dit land, en van de buitenlandse vrouwen.
10Toen riep de hele menigte, en zei met luide stem: Wij zullen zo doen zoals u gezegd hebt:
11Maar de menigte is groot, en het is wintertijd, en wij kunnen niet staan onder de blauwe hemel, en dit is geen werk voor ons van één dag of twee; want wij hebben hierin veel gezondigd.
12Maar dat de voorgangers van de menigte staan, en al degenen onder onze inwoners die buitenlandse vrouwen hebben;
13Dat zij hier komen, en tijd nemen, en de oudsten en rechters van iedere plaats, totdat de toorn van de Heere van ons geweerd zij, vanwege dit gebod.
14Toen nam Jonathas, de zoon van Azaël, en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens deze bepaling aan: en Mesullamas, en Levis, en Sabbateüs waren hun mee-rechters.
15En die uit de gevangenis waren, volgden hen hierin na.
16En Ezra de priester verkoos tot zich de voornaamste mannen van hun vaderlijke huizen, allen met namen, en op de nieuwe maan van de tiende maand zaten zij om deze zaken te onderzoeken.
17En het is ten einde gebracht, aangaande de mannen die buitenlandse vrouwen hadden, op de nieuwe maan van de eerste maand.
18En onder de priesters werden gevonden, die buitenlandse vrouwen hadden genomen.
19Van de kinderen van Jozua, de zoon van Josedek en zijn broers, Nathelas, en Eleazar, en Joreb en Joadan.
20En legden de hand daaraan; dat zij hun vrouwen verstieten; en dat zij rammen offerden tot verzoening over hun misdaden.
21En van de kinderen van Emmer: Ananias, en Zabdeûs, en Manes, en Lameös, en Hereël, en Azarias.
22En van de kinderen van Fesur: Elionais, Massias, Ismaël, en Nathaneël, en Okodel, en Saloas.
23En van de Levieten: Josabad, en Semeïs, Kovis (deze is Kalitas) en Patheüs, en Judas, en Jona.
24Van de heilige zangers: Eliaseb, en Bacchu.
25Van de deurwachters: Salum en Telbanes.
26Van de Israëlieten, uit de kinderen van Foros: Hiermas, en Jezias, en Melchias, en Maël, en Eleazar, en Asebias, en Baneas.
27Van de kinderen van Ela: Mathanias, en Zacharias, en Jezriël, en Joabdi, en Jeromoth, en Aidias.
28En van de kinderen van Zamoth: Eliazim, Othonias, Jarimoth, en Labath, en Zeralias.
29En van de kinderen van Bebai: Joannes, en Ananias, en Josabdus, en Amathias,
30En van de kinderen van Mani: Olam, Manuch, Jedar, Jasub, en Jasaël, en Hieremoth.
31En van de kinderen van Addi: Naäth, en Moosias, Lacrum en Naïd, Matthanias, en Sesthel, en Balim, en Manassias.
32En uit de kinderen van Anan: Elionas, en Asajas, en Melchias, en Sabbeüs, en Simon Chosameüs.
33En van de kinderen van Asom: Altaneüs, en Matthatias, Sabbaneüs, en Elifalat, en Manasses, en Semer.
34En van de kinderen van Baäni: Hieremias, Momdi, Ismaër, Juël, Mabdaï, en Pedias, en Anos, Rabasion, en Enasis, en Mammitanem, Eliasis, Bannus, Eliali, Sameis, Selemias, Nathanius. En van de kinderen van Ezora: Sesis, Esril, Azaël, Samatus, Zamvre, Jozef.
35En van de kinderen van Ethma: Mazitias, Zabada, Edaïs, Juhel, Baneas.
36Deze allen hadden buitenlandse vrouwen ten huwelijk, en verlieten ze met hun kinderen.
37En de priesters, en de Levieten, en die anderen uit Israël zetten zich neer te Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan van de zevende maand, en de Israëlieten waren in hun woonplaatsen.
38En de hele menigte kwam eendrachtig samen in de grote plaats, die is voor de heilige poort tegen het oosten.
39En zij zeiden tot Ezra, de priester en leermeester van de wet, dat hij de wet Mozes zou halen, die door de Heere, de God van Israël was gegeven.
40En Ezra, de overste priester, bracht de wet voor de hele menigte, zo van de mannen als van de vrouwen, en voor al de priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan van de zevende maand.
41En hij las die in de grote plaats voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de middag toe, in de aanwezigheid van mannen en vrouwen; en de hele menigte keerde hun zinnen tot de wet.
42En Ezra, de priester en leermeester van de wet, stond op een houten verheven stoel, die daartoe bereid was.
43En bij hem stonden Matthatias, Sammus, Ananias, Azarias, Urias, Ezekias, Baälsamus aan de rechterhand.
44En aan de linkerhand Chaldeüs, en Misaël, Melchias, Haothasufus, Nabarias, Zacharias.
45En Ezra nam het boek op voor de menigte, en zat heerlijk in de aanwezigheid van allen.
46En als hij de wet uitlegde, zo stonden zij rechtop. En Ezra loofde de Heere, de hoogste God, de God van de legermachten, de almachtige;
47En al het volk antwoordde daarop Amen! En hun handen omhoog heffende, en op de aarde vallende, baden zij de Heere aan.
48Jozua nu, en Anniuth, en Sarabias, en Jadin, en Jakobus, Sabateas, Anteüs, Majannus, en Kalitas, Azarias en Jozabdus, en Ananias, de Levieten, leerden de wet van de Heere.
49En zij lazen de wet van de Heere voor de menigte, hun stem in het lezen verheffende.
50En Attaratas zei tot Ezra de overste priester en leermeester, en tot de Levieten die het volk boven allen leerden:
51Deze dag is de Heere heilig; en zij huilden allen, als zij de wet hoorden.
52Ga dan heen, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt geschenken aan hen, die niet hebben.
53Want deze dag is heilig voor de Heere, en wees niet droevig, want de Heere zal u verheerlijken.
54En de Levieten bevalen het hele volk, zeggende: Deze dag zelf is heilig, wees niet droevig.
55En zij gingen allen heen, om te eten, en te drinken, en vrolijk te zijn, en om geschenken te geven aan hen die niet hadden, en zich enorm te vervrolijken;
56Omdat zij waren onderricht in het woord, dat hun geleerd was, en waartoe zij verzameld waren.