Bijbel3 Makkabeeën

3 Makkabeeën 1

Lees 3 Makkabeeën 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Ptolomeüs Philopator, koning van Egypte, trekt op tegen het leger van Antiochus de Grote, koning van Azië. 3 Een zekere Theodotus is van plan hem om te brengen, wat een Jood, Dositheüs, verhindert. 6 Hij verslaat het leger van Antiochus. 8 De Joden wensen hem geluk met deze overwinning. 9 Hij komt te Jeruzalem, brengt God offers, en wil het Heilige der heiligen binnengaan, 11 wat de priesters hem afraden, 13 maar hij wil toch doorgaan, 15 waarover een oproer ontstaat in de stad, 20 dat ternauwernood door de Raad gestild wordt. 21 Het volk bidt God met zeer groot misbaar en geroep, dat Hij dit zou willen verhinderen.

1Als de koning Filopator verstond van degenen die teruggekeerd waren, dat de plaatsen, die hij bezet had, hem door Antiochus ontnomen waren, zo heeft hij al zijn soldaten, zowel te voet als te paard, ontboden;

2En nam zijn zus Arsinoë met zich, en spoedde zich naar de plaatsen langs Rafia gelegen, waar Antiochus en zijn soldaten hun leger hadden.

3En een zekere Theodotus, trachtende de aanslag te voltooien, nam tot zich de beste uit de wapenen van Ptolomeüs, die hem tevoren betrouwd waren, en begaf zich in de nacht tot de tent van Ptolomeüs, opdat hij alleen hem zou ombrengen, en op die wijze een einde aan de oorlog maken.

4Maar Dositheüs, genoemd de zoon van Drimylus, van geboorte een Jood, maar die daarna de wet verlaten had, en vervreemd was geworden van de vaderlijke voorschriften, had hem weggevoerd, en een onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld, en het gebeurde, dat deze zijn straf droeg.

5En als er een bloedige slag gebeurde, en de zaken meer voorspoedig waren aan de zijde van Antiochus, zo ging Arsinoë ijverig toe, en bad de soldaten met gekerm en geween, met loshangend haar, dat zij zichzelf en haar kinderen, en vrouwen kloek te hulp zouden komen, en zij beloofde de overwinnaars ieder twee pond goud te geven.

6En zo is het gebeurd, dat de vijanden in het gevecht hand aan hand vernield werden, en dat ook velen gevangen genomen werden.

7En als Ptolomeüs de bedriegelijke aanslag overwonnen had, zo nam hij voor tot de naastgelegene steden te gaan, en hen te vermanen. En als hij dit gedaan, en de tempelen met gaven beschonken had, zo heeft hij zijn onderdanen moedig gemaakt.

8Als nu de Joden enige uit de raad en uit de oudsten tot hem hadden afgezonden om hem te begroeten, en geschenken te brengen, en over wat gebeurd was hem geluk te wensen, gebeurde het dat hij temeer voornam ten spoedigste tot hen te reizen.

9En als hij te Jeruzalem kwam, en de hoogste God had geofferd en gedankt, en wat verder op die plaats was gewend te gebeuren, gedaan had;

10En als hij ook tot de heilige plaats kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette, ja ook over de schone orde van de tempel verwonderde, zo nam hij voor en was van zins in het binnenste van de tempel in te gaan.

11Maar als deze hem zeiden, dat dat niet betaamde, omdat het noch aan die van hun volk, noch aan al de priesters geoorloofd was daarin te gaan, maar alleen aan de hogepriester, de opperste van alle priesters, en dat maar eenmaal in het jaar, zo liet hij zich toch in geen geval bewegen.

12Ja de wet, die hem voorgelezen werd, verachtende, hield hij in geen geval op zichzelf daar in te dringen, zeggende, dat hij daar moest ingaan; en hoewel zij van de eer beroofd zijn, zo behoort het toch mij niet te gebeuren; en hij vroeg, waarom niemand van die daar tegenwoordig waren hem verhinderd had, in de hele tempel in te gaan.

13En een antwoordde: Het is onvoorzichtig gedaan en dat het iets kwaads beduidde. Als dat gebeurd is, zei de koning, om welke oorzaak zou ik dan niet geheel ingaan, hetzij hun lief of leed?

14Maar als de priesters met hun geheel gewaad neervielen en de hoogste God baden, om hen in die aanstaande nood te willen helpen, en het geweld van de koning, die boos indrong, te bedwingen; als zij ook de tempel met geroep en geween vervulden, toen verschrikten degenen die hier en daar in de stad overgebleven waren en kwamen uitgelopen, denkende dat het iets verborgens was wat daar gedaan was.

15Ook zijn de dochters, die in haar kamers besloten waren, met haar moeders uitgelopen, en bestrooiden het haar met stof, en lieten het hangen, en vervulden de straten met klagen en zuchten.

16En die ook onlangs uitgelaten waren, verlieten niet alleen degenen, die bestemd waren om de koning tegemoet te gaan, maar ook haar passende schaamte, en zij maakten een onordentelijk geloop in de stad.

17Ja daarenboven zowel moeders als voedstervrouwen verlieten de jonggeboren kindertjes hier en daar, sommigen in de huizen, sommigen op de straten, en zij liepen zonder ophouden te hoop in het hoogste van de tempel.

18En daar was menigerlei gesmeek van degenen, die daarin samen gekomen waren, tegen wat onheilig door hem onderstaan werd.

19Daarbenevens sommigen van de burgers verstoutten zich en wilden het niet toestaan; als hij eindelijk aanhield, en zijn voornemen dacht te volbrengen, riepen zij dat men de wapenen grijpen en mannelijk voor de vaderlijke wet sterven zou, en zij maakten aan die plaats een grote verbittering.

20En als zij ternauwernood door de raad en de oudsten gestild waren, zo begaven zij zich weer tot dezelfde plicht van het gebed.

21Het gemene volk nu was intussen, zoals tevoren, bezig met bidden, maar de oudsten, die om de koning stonden, beproefden alleszins zijn hoogmoedig gemoed van de voorgenomen opzet af te wenden.

22Maar hij, zich verstoutende, en alles in de wind slaande, trad toe, en meende een einde te maken aan wat tevoren gezegd is.

23Waarom degenen, die om de koning stonden, als zij dit zagen hebben zij zich omgekeerd, om met de onzen Hem aan te roepen, die alle kracht heeft, dat Hij in de tegenwoordige nood te hulp wilde komen, en deze onwettige en hoogmoedige daad niet gedogen.

24En uit het zeer sterk, en moeilijk samen gebracht geschreeuw van het volk, ontstond een geroep dat niet was te vergelijken,

25Want het scheen, dat niet alleen de mensen, maar ook de muren, ja de hele vloer een weerklank gaven, alsof zij allen de dood liever hadden dan de besmetting van die plaats.