3 Makkabeeën 2
Lees 3 Makkabeeën 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De hogepriester Simon doet ook een gebed tot God, dat Hij het voornemen van de koning wil verhinderen. 16 God slaat de koning met verlamming en machteloosheid, en hij wordt door zijn dienaren uit de tempel gedragen. 18 De koning wordt niet beter door deze straf, maar leidt, teruggekeerd in Egypte, een liederlijk leven. 20 Hij laat een bevel uitgaan, dat hij in een zuil laat graveren, dat men alle Joden zou registreren om tot slaven te maken, en hen ook met een brandmerk te tekenen, 22 uitgezonderd degenen die de heidense offers brachten, 23 wat wel sommigen doen, maar het grootste deel blijft standvastig.
1Simon dan, de hogepriester, tegenover het binnenste van de tempel de knieën buigende, en de handen uitstrekkende tot de hemel, deed zulk een gebed:
2O Heere, Heere, o Koning van de hemelen en Heerser van alle schepselen, U Heilige in het heiligdom, U enige Heerser, U Almachtige zie ons aan, die verdrukt worden door een onheilig en goddeloos mens, die zichzelf in onverschrokkenheid en sterkte verhovaardigt.
3Want U, die alles geschapen, en macht over alle dingen hebt, U bent een rechtvaardig vorst, en die uit wrevel en hoogmoed iets doet, oordeelt U.
4U hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid bedreven, (onder wie ook de reuzen waren, die op hun sterkte en onverschrokkenheid vertrouwden) vernield, over hen brengende een onmetelijk water van de zondvloed.
5U hebt de Sodomieten, toen zij allen trots werkten, en door hun boosheden zeer bekend waren, met vuur en zwavel verbrand, hen stellende tot een voorbeeld aan de komende eeuwen.
6U hebt de trotse Farao, die Uw heilig volk Israël in dienstbaarheid gebracht had, met verscheidene en vele straffen beproefd, en Uw mogendheid zo bekend gemaakt.
7Na welke straffen U Uw grote kracht bekend maaktet, en hem, toen hij Israël nastreefde met wagens en menigte van de volken, deed zinken in de diepte van de zee, maar die op U, die alle schepselen Heere bent, betrouwden, hebt U behouden daardoor gevoerd; die de werken van Uw handen erkennende, U de Almachtige geprezen hebben.
8U hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen hebt, deze stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd U ten naam, hoewel U geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met een zeer heerlijke verschijning, die beroemd makende ter ere van Uw grote en dierbare naam.
9En uit liefde tot het huis van Israël hebt U beloofd, als wij ons van U afkeerden, en ons enige benauwdheid zou mogen aangrijpen, en wij in deze plaats kwamen, en aanbaden, dat U ons gebed zou verhoren.
10Nu werkelijk, U bent getrouw en waarachtig, aangezien U dikwijls, als onze vaders verdrukt waren, hen geholpen hebt in hun vernedering, en hen verlost hebt uit grote ellende.
11Maar nu, o heilige Koning, zie wij worden vanwege onze vele grote zonden onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen, en worden in onze machteloosheid door U voorbijgegaan.
12En in deze onze val poogt deze stoute en onreine koning deze heilige plaats, die op de aarde Uw heerlijke naam toegeëigend is, smaad aan te doen.
13Want tot Uw woning werkelijk, namelijk de hemel van de hemelen, kunnen de mensen niet komen, maar omdat het Uw welbehagen is geweest, dat Uw heerlijkheid onder het volk Israël zij, zo hebt U deze plaats geheiligd.
14Wreek ons niet door de onreinheid van deze mensen, en straf ons niet door hun onheiligheid, opdat de ongerechtigen in hun gemoed niet roemen, noch in de hoogmoed van hun tongen vrolijk zijn, zeggende: Wij hebben het huis van het heiligdom met voeten getreden, zoals de huizen van de gruwelijke dingen vertreden worden.
15Wis onze zonden uit, en verstrooi onze dwalingen, en betoon Uw barmhartigheid in deze tijd. Laat Uw ontferming snel ons overkomen, en geef lof in de mond van degenen die neergevallen en gebroken zijn van hart, ons namelijk vrede gevende.
16Hier heeft God, die alles ziet, en boven alles heilig is, in het heiligdom dit rechtvaardig gebed verhoord, en heeft hem gegeseld, die zichzelf met smaad en trotsheid enorm verheven had, hem aan alle zijden slingerende zoals het riet van de wind, zodat hij nu op de vloer lag, machteloos, en ook lam aan zijn leden, noch spreken kon, omdat hij door het rechtvaardig oordeel van God geheel verstrikt was.
17Daarom werden zowel zijn vrienden als lijfwachten, als zij de snelle straf zagen, die hem had aangegrepen, met zeer grote vrees verslagen, en vrezende, dat hij ook het leven zou verliezen, trokken zij hem meteen uit de tempel.
18Maar als hij een tijd daarna weer tot zichzelf kwam, hoewel door God gestraft zijnde, kwam hij in geen geval tot berouw, maar hij trok weg met scherpe dreigementen.
19Toen hij nu in Egypte kwam, en zijn boosheid vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers en metgezellen, die tevoren aangewezen zijn, en van alle gerechtigheid afgezonderd waren, zo heeft hij niet alleen zichzelf met ontelbare ontuchten verzadigd, maar hij is ook tot zo grote overmoed voortgegaan, dat hij lasteringen in alle plaatsen tegen het volk zaaide, en dat velen van de vrienden, lettende op het voorstel van de koning, ook zelf zijn wil volgden.
20En hij nam voor openlijk dit volk smaad aan te doen; in een toren bij het hof liet hij een pilaar oprichten en dit schrift insnijden, dat niemand onder hen die niet offerde, in hun tempels zou ingaan, maar dat al de Joden, onder het volk beschreven, tot een slaafse staat weggevoerd zouden worden; en zo wie zou mogen tegenspreken, dat men die met geweld zou aantasten, en van het leven beroven.
21Dat men ook, die opgeschreven werden, zou tekenen, en dat met vuur aan hun lichaam, namelijk met een klimopblad, het wapen van Bacchus, die men ook zou afzonderen tot de vrijheid, hun tevoren bestemd.
22En opdat hij niet zou schijnen op alle Joden verstoord te zijn, zo liet hij daaronder schrijven, dat zo enigen onder hen verkozen om te gaan met de priesters, dezen hetzelfde burgerrecht zouden hebben als de burgers van Alexandrië.
23Sommigen nu, die in de stad de trappen van de godzalige stad haatten, gaven zich licht over, alsof zij enige grote eer zouden deelachtig worden, om de gemeenschap, die zij zouden hebben met de koning.
24Maar de meesten bleven standvastig, en weken niet af van de godzaligheid; en voor het leven onbeschroomd geld in de plaats biedende, poogden zij zichzelf van het opschrijven te bevrijden, en zij hadden goede hoop, en vertrouwen dat zij hulp zouden verkrijgen.
25En die van hen afweken waren hun een gruwel, en zij hielden hen als vijanden van hun volk, en beroofden hen beiden van hun gemeenzame omgang en voorrechten.