3 Makkabeeën 3
Lees 3 Makkabeeën 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Ptolomeüs, die zeer vergramd is op de Joden, beveelt dat men hen allen bijeen zou vergaderen en doden, 5 de Grieken van Alexandrië hebben medelijden met hen, en troosten hen. 9 De brief van koning Ptolomeüs aan al zijn stadhouders in Egypte, waarin hij rekenschap geeft van dit bevel, 18 en hen terstond opdraagt alle Joden, met vrouwen en kinderen, in ijzeren ketenen gebonden, naar Alexandrië te zenden om gedood te worden, 20 en als iemand een Jood zou willen beschermen, beveelt hij die zwaar te pijnigen, en aan de aanbrengers hun goed te geven.
1En als de goddeloze tiran dit vernam, werd hij zo boos, dat hij niet alleen vergramd was tegen Alexandrië, maar ook de anderen, die in het hele land waren, meer tegenstond, en dat hij gelastte dat men zou haasten, en in één plaats alle Joden verzamelen, en hen met de snoodste dood van het leven beroven.
2Als nu deze dingen bestemd waren, zo werd een gruwelijk gerucht tegen dit volk uitgestrooid, zijnde de slechte mensen, die tot het kwaaddoen eensgezind waren, tot dit voornemen oorzaak gegeven, alsof de Joden hen verhinderden in het onderhouden van hun wetten.
3Maar de Joden onderhielden wel tot de koningen een onveranderlijke goedwilligheid en trouw, maar omdat zij God dienden, en in Zijn wet wandelden, zo hebben zij enige Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd; waarom zij door sommigen voor vijanden gehouden werden; maar omdat zij hun handel en wandel met de goede werken van de gerechtigheid versierden, zo waren zij bij alle mensen geprezen.
4Deze vreemden dan verhaalden niet de goede wandel van ons geslacht, die onder allen geroemd was, maar het verschil nopens de aanbidding en andere gebruiken, dat maakten zij overal bekend, zeggende, dat die mensen noch met de koning, noch met zijn machten verzoenbaar waren, maar dat zij gruwelijk waren, en grote vijanden van het welvaren van het koninkrijk; zo bezwaarden zij hen rondom met geen gewone verachting.
5Maar de Grieken, die in de stad waren, wie geheel geen leed gebeurd was, als zij dit onverhoopt oproer zagen tegen deze mensen, en dat er een onverwachte toeloop gebeurde, konden wel geen hulp doen (want het was een tirannieke handelwijze),
6Maar zij hebben hen getroost, en namen het zeer kwalijk, en meenden dat die dingen zouden veranderen, want zeiden zij, die God, aan Wie alles bekend is, zal zulk een besluit niet zo gedogen.
7Ja ook trokken sommige buren en vrienden, en die met hen handelden, in het geheim enigen tot zich en deden beloften, dat zij hen mee wilden beschermen, en alles toebrengen tot hun hulp.
8Verder de koning, door de tegenwoordige voorspoed zich verhovaardigende, gaf geen acht op de kracht van de grote God, maar meende dat hij gestadig bij hetzelfde voornemen zou blijven, ja schreef tegen hen deze brief:
9De koning Ptolomeüs Filopator wenst alle stadhouders en soldaten in Egypte, en de andere plaatsen geluk en voorspoed; ik zelf, en onze zaken varen wel.
10Nadat wij onze krijgstocht in Azië gedaan hadden, die u ook zelf weet, die door de onverhinderlijke bijstand van de goden naar onze wil ten einde gebracht is, zo hebben wij gedacht, niet met geweld van wapen maar met zachtheid en veel vriendelijkheid de volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen, goedertieren te behandelen, en hen graag goed te doen.
11En als wij aan de tempels in de steden vele renten uitgedeeld hadden, zo zijn wij ook te Jeruzalem gekomen, en opgegaan om de tempel van die booswichten, die nooit ophouden van hun onzinnigheid, te vereren;
12Maar zij hebben wel met woorden onze aanwezigheid vriendelijk ontvangen, maar inderdaad met valse harten; want toen wij voorgenomen hadden in het binnenste van hun tempel in te gaan, en die met zeer passende en zeer schone geschenken te vereren, zo hebben zij, gedreven zijnde door hun oude opgeblazenheid, ons verhinderd daarin te gaan.
13Daar zij toch onze sterkte niet konden weerstaan, waardoor wij met alle mensen vriendschap hebben, maar hun vijandig gemoed tegenover ons openbaar bewijzende, willen zij niet wat redelijk en behoorlijk is verdragen, als die alleen onder de volken hun hals opheffen tegen de koningen, en hun eigen genadige heren.
14Wij toch zijn hun waanzin ontweken, en zijn met overwinning gekomen, en hebben in Egypte alle volken met vriendelijkheid bejegend, en gedaan zoals het ons betaamde.
15Intussen maakten wij aan allen bekend bij hun landslieden, dat wij het ongelijk wilden vergeten, en dat wij willens waren, zowel om het bondgenootschap, als ook omdat hun van overoude tijden talloos vele zaken door eenvoud toevertrouwd waren, hun staat in beter te veranderen, en hen wilden aannemen, in de gemeenschap van het altijddurende priesterdom, en hen verwaardigden met het burgerschap van de burgers van Alexandrië.
16Maar zij het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad altijd genegen zijnde, hebben niet alleen dit onwaardeerbaar recht van burgerschap verstoten, maar zij hebben ook een afkeer, zowel met woorden, als met stilzwijgen, van die weinigen onder hen, die ons oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk leven onze goede wetten snel zullen neerwerpen.
17Daarom zijn wij door zekere merktekenen wel verzekerd, dat deze op alle manier ons kwalijk gezind zijn, en voorziende, dat mogelijk hierna enig oproer tegen ons mocht ontstaan, wij deze goddeloze mensen van achteren tot verraders zouden hebben, en tot barbaarse vijanden.
18Zo gelasten wij, zodra deze brief zal ontvangen zijn, dat men op dat moment, allen die daarin getekend zijn met vrouwen en kinderen in ijzeren banden zal sluiten, en met smaad en plagen ons toezenden, tot een onafbiddelijke en schandelijke dood, die zulke vijanden waard zijn.
19Want als deze allen tegelijk gestraft zullen zijn, zo achten wij, dat in toekomende tijden, voor ons de zaken van het rijk in een goede stand en zeer goede orde volmaakt gesteld zullen worden.
20En zo wie iemand van de Joden beschermen zal, van de oudste tot de jongste, ja tot de zuigende toe, die zal met zijn hele huisgezin met de schandelijkste folteringen gepijnigd worden.
21En wie dat zal willen aanbrengen, die zal daarvoor ontvangen het goed van degene, die in deze straf valt, en nog uit de schatkamer van de koning tweeduizend drachmen zilver, ja hij zal ook met vrijheid gekroond worden.
22Verder elke plaats, waar men enigszins zal bevinden dat een Jood verborgen wordt, die worde verwoest en verbrand, en geheel onnut ten eeuwigen tijde voor het hele menselijke geslacht. Zo was de inhoud en schrift van deze brief.