Bijbel3 Makkabeeën

3 Makkabeeën 4

Lees 3 Makkabeeën 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De heidenen zijn hierover zeer verheugd, en de Joden in de uiterste droefheid, 3 die alle plaatsen met gekerm en geklaag vervullen. 4 De stadhouders zenden per schip alle Joden, oud en jong, met grote onbarmhartigheid, naar Alexandrië, en zij worden gebracht op het renveld, of de renbaan. 12 De koning laat alle Joden registreren, en houdt ondertussen vrolijke maaltijden ter ere van zijn afgoden. 14 De schrijvers geven de koning te kennen dat zij de registratie niet kunnen voltooien vanwege de ontelbare menigte van de Joden.

1En overal waar dit bevel bekend werd gemaakt, hielden de heidenen een gemeenschappelijke maaltijd met juichen en blijdschap, omdat de vijandschap nu met onverschrokkenheid zich blijkbaar openbaarde, die in vorige tijden hun in het gemoed als vereeld was geweest.

2Maar de Joden waren in een voortdurend verdriet, en hun hulpgeroep was jammerlijk, met tranen en zuchten, hun hart brandde alleszins, en zuchtte over dat onverwacht verderf, dat tegenover hen zo plotseling besloten was.

3Wat gewest of stad, of om in het algemeen te spreken welke bewoonde plaats, of welke straten werden niet om hunnentwil met geklag en gekerm vervuld?

4Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending beweenden.

5Want daar ging vooraan een menigte van oude mannen met grijs haar bedekt, en zij misbruikten de benen, die van oudheid traag en krom waren en dreven die met een geweldig voortstuwen, zonder enige schaamte, om snel op de weg voort te gaan.

6Daarna de jonge vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, verdriet, en het haar met geurende zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, een jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde, werden zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken.

7En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de halzen met stroppen gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven dagen van de bruiloft door met jammerlijk geschrei, inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, als die reeds de dood voor hun ogen gesteld zagen.

8En zij werden gedreven als beesten, getrokken en gedwongen met ijzeren banden; sommigen werden met de halzen aan de boorden van de schepen gespijkerd, en sommigen met vaste boeien aan de benen verzekerd; en daarenboven werd een dicht luik boven het hoofd gelegd, opdat hun ogen alleszins zouden verblind worden, en zij in de hele scheepvaart het geleide van deze moordenaars zouden uitstaan.

9Als nu deze in dat voormelde schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken was, zoals het door de koning was geboden, zo heeft hij bevolen dat zij hen zouden legeren op het rijveld voor de stad, zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen voor degenen, die daar voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen onder hen, die buiten naar het land reisden om dit voorbeeld van de straf te zien; opdat zij noch met zijn soldaten gemeenschap zouden hebben noch enigszins waard geacht van de stadsmuren.

10Als dit gebeurd was, en de koning hoorde, dat van de Joden landslieden in het geheim en dikwijls uit de stad uitgingen, om te bewenen de schandelijke ellende hun broers, zo werd hij zeer verstoord, en gelastte, dat men ook deze eveneens op dezelfde wijze zorgvuldig zou behandelen, zoals de anderen, en in geen enkele wijze minder straffen dan de anderen; en dat men het hele geslacht van de Joden met hun namen zou beschrijven.

11Omdat hij hen niet wilde belasten met de dienst een weinig tevoren aan hen bekend gemaakt, maar pijnigen met de gedreigde straffen, en zo eindelijk op een bestemde dag uitroeien.

12Zo gebeurde dan hun beschrijving met veel ijver, en gestadig zitten van de opgang van de zon tot de ondergang daarvan, en in veertig dagen hadden zij nog geen einde.

13Intussen was de koning enorm en gestadig vervuld met blijdschap, en hield maaltijden voor alle afgoden; zijn hart was ver van de waarheid afgedwaald, en met zijn onheilige mond prees hij de stomme afgoden, die hem niet konden toespreken of helpen; maar tegen de hoogste God sprak hij dingen die niet passen.

14Na de voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving van de Joden niet langer konden doen, om hun ontelbare menigte, omdat daar nog veel meer hier en daar in het land waren, sommigen nog blijvende bij huis, sommigen zijnde in andere plaatsen, zodat het ook alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te doen.

15En als hij hen te harder dreigde, alsof zij met giften omgekocht waren om de Joden te doen ontvluchten, zo gebeurde het dat zij hem klaar bericht deden, als zij hem zeiden en bewezen, dat zowel papier als schrijfpennen, die zij zouden gebruiken hun reeds ontbraken.

16Maar dit was een krachtig werk van de onoverwinnelijke voorzienigheid Gods, die uit de hemel de Joden hulp bood.