Bijbel3 Makkabeeën

3 Makkabeeën 6

Lees 3 Makkabeeën 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Een oude godvruchtige priester, genaamd Eleazar, doet een algemeen gebed tot God, dat Hij hen wilde verlossen, zoals Hij eertijds zijn volk van Farao en Sanherib, en Daniël en zijn metgezellen, alsook Jona verlost had. 15 De koning komt naar de renbaan, en de Joden heffen een erbarmelijk geschreeuw aan. 16 God zendt twee engelen, schrikwekkend van gedaante, die het hele leger en de koning verschrikten, zodat de beesten zich omkeerden en het leger vertrapten en vernielden. 20 De toorn van de koning verandert in barmhartigheid, en hij wendt zich tot zijn vrienden, die hij scherp bestraft, 25 en laat alle Joden vrijlaten, die de HEERE daarover loven. 27 Hij laat de Joden spijs en drank bezorgen, die hen verblijden, 30 zoals ook de koning doet. 33 De Joden bepalen dat deze dag voortaan altijd gevierd zou worden, 37 en verzoeken de koning om te mogen vertrekken.

1En een zekere Eleazar, een voortreffelijk man, één uit de priesters van het land, die nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven versierd was, stelde de ouden rondom zich, om de heilige God met hem aan te roepen, en bad zo:

2O machtige Koning, U opperste en almachtige God, die alle geschapen dingen in ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de geheiligde Jakob, het volk van Uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield wordt, o Vader!

3U hebt Farao, die vele wagens had, en in vorige tijden heer was van dit Egypte (als hij zich verhief met een onbarmhartige onverschrokkenheid, en met een grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn hoogmoedige heerkracht en vernietigd, en het geslacht van Israël een licht van Uw barmhartigheid betoond.

4U hebt de machtige koning van Assyrië, Sanherib, die op zijn talloze heerkrachten pochte en met de speer het hele land onder zijn gebied gekregen had, en zich verhief tegen Uw heilige stad, en uit opgeblazenheid, en onverschrokkenheid lasterlijke woorden sprak, U, Heere, hebt hem gebroken en aan vele heidenen Uw macht openlijk bewezen.

5U hebt de drie metgezellen, die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig aan het vuur overgaven, om niet te dienen de ijdele afgoden, verlost, en de zeer doorgloeide oven als met een dauw begoten, dat niet één haar aan hen gekrenkt is, maar U zond de vlam tot al hun tegenstanders.

6U hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot voedsel van de wilde dieren, onbeschadigd weer in het licht gebracht; en U hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond.

7Nu dan, o God, U vijand van overlast, U barmhartige, U beschermer van alle dingen, verschijn haastig aan degenen, die van het geslacht van Israël zijn, dat door deze gruwelijke en goddeloze heidenen smaad aangedaan wordt.

8En als ons leven met ongodsdienstigheid in onze vreemdelingschap bevangen is, verlos ons toch van de hand van deze vijanden, en U zelf, Heere, verderf ons met de dood, zoals het U believen zal.

9Laat hen, die maar zinloosheid bedenken, niet zegenen de ijdele afgoden, als U Uw geliefden verderft, en zeggen: Ook hun God heeft hen niet verlost.

10Maar U eeuwige Heere, U die macht hebt, zie ons nu aan.

11Ontferm U over ons, wij die door de goddelozen, alsof wij verraders waren, worden.

12U heerlijke God, laat toch de verwinnelijke macht met verschrikken zich verwonderen, U die macht hebt over het behouden van het geslacht van Jakob.

13U bidt de hele menigte van de jonge kinderen, en hun ouders, en dat met tranen; laat het alle volken blijken, dat U met ons bent, Heere, en dat U Uw aangezicht van ons niet hebt afgewend;

14Maar zoals U gezegd hebt, dat U hen, ook zijnde in het land van hun vijanden, niet veracht hebt, zo volbreng het, o Heere.

15Toen nu Eleazar van het gebed ophield, kwam de koning met de beesten, en het gruwelijk heerleger aan het renperk.

16En de Joden, dat aanschouwende, hieven een groot geroep op naar de hemel, zodat de bijliggende valleien mee een weerklank gaven, en het hele heer tot een onbedwingelijk huilen bewogen werd.

17Toen heeft de zeer heerlijke, almachtige, en waarachtige God zijn heilig aangezicht vertoond, en de poorten van de hemel geopend; uit welke twee heerlijke engelen, schrikkelijk in gedaante, afkwamen, die van allen gezien werden, naast de Joden.

18En zij deden weerstand, en zij vervulden het heerleger van de vijanden met ontroering en verschrikking, en verstrikten hen met onbewegelijke boeien, en ook het lichaam van de koning werd geheel sidderende, en hij vergat zijn toornige en grote onverschrokkenheid.

19En de beesten keerden zich om naar de volgende gewapende heerlegers, en vertrapten en vernielden hen.

20En de toorn van de koning werd veranderd in barmhartigheid en tranen, vanwege de dingen, die hij tevoren tegen hen bedacht had.

21Want als hij het geschreeuw hoorde en beschouwde dat zij allen ten verderve voorover vielen, zo huilde hij en dreigde met toorn zijn vrienden, zeggende: alle sterkheid en alle onredelijk ongelijk van de van ons leven beroofd heidenen over uw on

22U misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen, en u neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn rijk en leven te benemen, in het geheim aanrichtende wat het rijk niet bevorderlijk is.

23Wie heeft deze, die de vestingen van ons land getrouw bewaarden, zo onredelijk een ieder van zijn huis afgevoerd en herwaarts verzameld?

24Wie heeft deze, die van het begin af in goedwilligheid tot ons in alles alle volken te boven gaan, en dikwijls de ergste gevaren van de mensen uitgestaan hebben, met zulke ongeoorloofde straffen beladen?

25Ontbind, ontbindt de onrechtvaardige handen, zendt hen terug met vrede naar hun plaatsen, en bidt af wat door u tegenover hen tevoren gedaan is. Laat los de kinderen van die almachtige, hemelse en levende God, die van onze voorouders af tot nu toe onze zaken een voorspoedige en heerlijke welstand verleent.

26En dit sprak de koning; en zij werden van stonden aan ontbonden, en loofden de heilige God, hun behouder, als zij de dood ontkomen waren.

27Daarna keerde de koning weer in de stad, en riep tot zich de ontvanger van zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven dagen lang, wijn en wat verder om feest te houden nodig was, uit te reiken; goedvindende dat zij in die plaats, waarin zij meenden het verderf te gevoelen nu met alle vrolijkheid de feestdagen van hun behoud zouden houden.

28Toen hielden zij (die tevoren versmaadheid leden, en nabij het graf, ja veel meer daarin gegaan waren), in plaats van een bittere en zeer beklagelijke dood te sterven, een maaltijd van het behoud, en vervuld met blijdschap, deelden zij de plaats af, die hun ten val en naar het graf bereid was, in verscheidene gezelschappen.

29En zij hielden op van het droevig klaaglied, en hieven weer aan de lofzangen van hun vaders, God de behouder en wonderwerker prijzende; en zij weerden van zich al het treuren en zuchten, en stelden vrolijke reien aan tot een teken van de vreedzame blijdschap.

30Evenzo hield ook de koning omwille van deze zaken een grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden en zeer heerlijk, over die onverwachte verlossing, die hem gebeurd was.

31En degenen, die tevoren hen ten verderve, en om te zijn een aas van de vogels gesteld en met blijdschap opgeschreven hadden, die zuchtten nu, en waren met schaamte in zichzelf vervuld, omdat hun snorkende onverschrokkenheid met oneer uitgeblust was.

32Maar de Joden zoals wij tevoren gezegd hebben, hielden de voorzegde reien met vreugde, en brachten de tijd door met vrolijke dankzeggingen en psalmen.

33En zij maakten daarvan een algemene wet, en besloten dat men in al hun woningen van eeuw tot eeuw de voornoemde dagen, in vreugde zou houden, niet om enige drinkerij en brasserij, maar om de verlossing, die hun van God gebeurd was.

34Daarna gingen zij tot de koning en vroegen verlof om naar huis te gaan.

35De dienaren nu van de koning hadden hen beschreven van de vijfentwintigste dag van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif toe, veertig dagen lang; en zij hadden besloten, hen om te brengen van de vijfde van de maand Epif tot de zevende toe, drie dagen lang; waarin ook de heerser van alle schepselen zijn barmhartigheid zeer heerlijk bewezen, en hen allen samen ongedeerd verlost heeft.

36Zij hebben dan de maaltijd gehouden, en alles is hun door de koning toegereikt, tot de veertiende dag toe;

37Op welke zij ook met hem gesproken hebben over hun vertrek; en de koning hen prijzende, schreef met grootmoedigheid voor hen de volgende brief, aan de stadhouders in elke stad, hebbende deze inhoud: